ECLI:NL:ORBAACM:2022:30

Raad van Beroep in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
16 maart 2022
Publicatiedatum
14 april 2022
Zaaknummer
AUA2018H00143
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 41, tweede lid, LaArtikel 96 La
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak en ongegrondverklaring bezwaar wegens onterecht beroep op niet-uitvoering rechterlijke uitspraak

Geïntimeerde werkte van 1983 tot 1995 voor het land Aruba en vroeg in 2013 uitgesteld pensioen toe te kennen per 2008. Het Gerecht verklaarde in 2015 en 2017 bezwaren gegrond tegen het uitblijven van een beschikking door de minister en stelde dat appellant bevoegd was. In 2018 nam appellant een beschikking toegekend pensioen toe.

Geïntimeerde diende in 2017 bezwaar in tegen het uitblijven van een beschikking en werd in 2018 door het Gerecht in het gelijk gesteld met een schadevergoeding van Afl. 68.730,-. Appellant ging in hoger beroep en stelde dat het bezwaar ten onrechte was aangemerkt als gericht tegen het niet uitvoeren van een rechterlijke uitspraak en dat de schadevergoeding onterecht was.

De Raad oordeelde dat het bezwaar niet kon zien op het niet uitvoeren van een onherroepelijke uitspraak omdat appellant geen partij was in de eerdere procedure en dat inmiddels een beschikking was genomen waardoor het bezwaar ongegrond moest worden verklaard. De eerdere uitspraak werd vernietigd en de proceskosten werden niet toegewezen.

Uitkomst: De Raad vernietigt de eerdere uitspraak en verklaart het bezwaar ongegrond omdat inmiddels een beschikking is genomen.

Uitspraak

Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La)

Uitspraakdatum: 16 maart 2022
Zaaknummers: AUA2018H00143

RAAD VAN BEROEP

IN AMBTENARENZAKEN
ARUBA

Op het hoger beroep van:

de Gouverneur van Aruba,

appellant,
gemachtigde: mr. V.M. Emerencia, werkzaam bij de Directie Wetgeving en Juridische Zaken,
tegen de uitspraak van het Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba (Gerecht) van
21 mei 2018, AUA201703507 (aangevallen uitspraak), in het geding tussen:
en

[Betrokkene]

wonend in Aruba,
geïntimeerde,
gemachtigde: Jose E.A. Wernet.

Procesverloop

Bij uitspraak van 28 augustus 2017 heeft het Gerecht het bezwaar van appellant, gericht tegen een beschikking van 20 juli 2015 van de minister van Financiën en Overheidsorganisatie (minister), gegrond verklaard en die beschikking vernietigd.
Bij de aangevallen uitspraak heeft het Gerecht het bezwaarschrift van appellant gericht tegen het uitblijven van een beschikking gegrond verklaard en geïntimeerde veroordeeld tot betaling van een bedrag van Afl. 68.730,- als vergoeding van de geleden schade.
Appellant heeft tegen de aangevallen uitspraak hoger beroep ingesteld.
Geïntimeerde heeft een contramemorie ingediend.
Naar aanleiding van een daartoe strekkend verzoek van de Raad hebben beide partijen erin toegestemd dat de Raad dit hoger beroep - in verband met covid-19-omstandigheden - behandelt en afdoet zonder de zaak op een openbare zitting te behandelen. In verband daarmee hebben partijen gebruik gemaakt van de hun geboden gelegenheid een pleitnotitie in te dienen en op elkaars pleitnotities te reageren.

Overwegingen

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Geïntimeerde heeft van 3 juni 1983 tot 30 september 1995 achtereenvolgens als losse kracht en als ambtenaar in tijdelijke dienst gewerkt voor het land Aruba. Hij heeft op 31 maart 2013 bij de minister een verzoek ingediend om toekenning van een uitgesteld pensioen per 3 januari 2008 (verzoek).
1.2.
Bij uitspraak van 12 januari 2015 (GAZA nr. 724 van 2014) heeft het Gerecht het bezwaarschrift van geïntimeerde tegen het uitblijven van een beslissing op zijn verzoek gegrond verklaard en de minister opdracht gegeven binnen drie maanden na dagtekening van de uitspraak op het verzoek van geïntimeerde te beslissen.
1.3.
De minister heeft bij beschikking van 20 juli 2015 het verzoek van geïntimeerde afgewezen. Deze beschikking heeft het Gerecht bij uitspraak van 28 augustus 2017 (GAZA nr. 1837 van 2015) vernietigd, onder gegrondverklaring van het bezwaar, omdat niet de minister maar appellant bevoegd is om een beschikking te nemen op het verzoek van geïntimeerde. Het Gerecht heeft in deze uitspraak ook vastgesteld dat geen last aan appellant kan worden gegeven, omdat appellant geen verweerder is in het geding tussen de minister en geïntimeerde. Geïntimeerde mag er volgens het Gerecht van uitgaan dat sprake is van een zogenaamde fictieve weigering als bedoeld in artikel 41, tweede lid, van de La, indien appellant niet binnen drie maanden na dagtekening van die uitspraak op het verzoek van geïntimeerde heeft beschikt.
1.4.
Geïntimeerde heeft op 19 december 2017 een bezwaarschrift ingediend tegen het uitblijven van een beschikking en zich daarbij beroepen op artikel 96 van Pro de La.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft het Gerecht, met toepassing van artikel 96 van Pro de La, het bezwaar van geïntimeerde gegrond verklaard en appellant veroordeeld tot betaling aan geïntimeerde van een bedrag van Afl. 68.730,- als vergoeding van geleden schade, bestaande uit het inhoudelijk niet door appellant bestreden bedrag aan pensioen over de periode van 2 januari 2008 tot en met 3 januari 2018.
3.1.
Appellant heeft zich in de eerste plaats op het standpunt gesteld dat het Gerecht ten onrechte het uitblijven van een beschikking heeft aangemerkt als het niet uitvoeren van een rechterlijke uitspraak als bedoeld in artikel 96 van Pro de La. Het gaat in dit geval om het uitblijven van een beschikking op een verzoek als bedoeld in artikel 41, tweede lid, van de La. In de tweede plaats verzet appellant zich tegen (de hoogte van) de opgelegde schadevergoeding.
3.2.
Geïntimeerde heeft verwezen naar Landsbesluit no. 1 van 16 oktober 2018, waarbij appellant met ingang van 1 april 2013 aan geïntimeerde een pensioen heeft toegekend. Tegen deze beschikking heeft geïntimeerde geen bezwaarschrift ingediend.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Het Gerecht heeft ten onrechte het bezwaarschrift van geïntimeerde aangemerkt als een bezwaarschrift gericht tegen het geen gevolg geven aan een onherroepelijk geworden uitspraak. In de uitspraak van 28 augustus 2017 is noch aan appellant noch aan de minister opdracht gegeven tot het nemen van een beschikking. De uitspraak van 28 augustus 2017 was een uitspraak tussen geïntimeerde en de minister, die volgens het Gerecht niet bevoegd was tot het nemen van de in die procedure bestreden beschikking. Appellant was in die procedure geen procespartij, zoals het Gerecht in de uitspraak van 28 augustus 2017 terecht heeft overwogen.
4.2.
Het hoger beroep slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet vernietigd.
4.3.
Verder wordt vastgesteld dat appellant op 16 oktober 2018 een beschikking heeft genomen op het verzoek van geïntimeerde. Van het uitblijven van een beschikking is geen sprake meer. Dat betekent dat het bezwaar van geïntimeerde ongegrond moet worden verklaard.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Raad:
-
vernietigtde aangevallen uitspraak;
-
verklaarthet bezwaar
ongegrond.
Aldus gegeven door mrs. M.C. Bruning voorzitter, W.H. Bel en A.H.M. van de Leur, leden, en in het openbaar uitgesproken op 16 maart 2022 in tegenwoordigheid van de griffier.