ECLI:NL:ORBAACM:2026:10

Raad van Beroep in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
9 februari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
AUA2024H00430
Instantie
Raad van Beroep in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Landsverordening ambtenarenrechtspraak
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit bevordering wegens onjuiste toepassing 90-dagen beleid bij langdurige arbeidsongeschiktheid

Appellant, werkzaam bij het Korps Politie Aruba, werd bevorderd met ingang van 1 januari 2021, maar maakte bezwaar tegen deze ingangsdatum. Het Gerecht in Ambtenarenzaken had geoordeeld dat de gouverneur de ingangsdatum correct had vastgesteld op basis van het 90-dagen beleid, waarbij afwezigheid door langdurige arbeidsongeschiktheid de bevordering kan opschuiven.

Appellant voerde in hoger beroep aan dat het 90-dagen beleid niet correct was toegepast. De Raad van Beroep stelde vast dat appellant gedurende de relevante periode 380 dagen volledig arbeidsongeschikt was en 183 dagen voor 50%, waarbij de halve dagen slechts voor de helft meetellen. Hierdoor kwam het totaal op 471,5 dagen arbeidsongeschiktheid, wat leidt tot een verschuiving van 359 dagen in plaats van de door het Gerecht berekende 367,5 dagen.

De Raad concludeerde dat de concrete toepassing van het 90-dagen beleid door de gouverneur onjuist was en vernietigde het bestreden besluit en de uitspraak van het Gerecht. De gouverneur werd opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd de gouverneur veroordeeld tot betaling van de proceskosten van appellant.

Uitkomst: Het hoger beroep is gegrond verklaard, het bestreden besluit en uitspraak vernietigd, en de gouverneur opgedragen een nieuw besluit te nemen met correcte toepassing van het 90-dagen beleid.

Uitspraak

Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La)

Uitspraakdatum: 9 februari 2026
Zaaknummer: AUA2024H00430

RAAD VAN BEROEP

IN AMBTENARENZAKEN
ARUBA

Uitspraak

op het hoger beroep van:

[Appellant],

wonend in Aruba,
appellant ([appellant]),
gemachtigde: mr. F.B. Ras,
tegen de uitspraak van het Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba (Gerecht) van
25 november 2024, AUA202400603 (aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
[Appellant]
en

de Gouverneur van Aruba,

geïntimeerde (gouverneur),
gemachtigde: mr. V.M. Emerencia.

Procesverloop

[Appellant] heeft hoger beroep ingesteld.
Naar aanleiding van vragen van de Raad heeft [appellant] gemeld welke gronden van zijn hoger beroep hij handhaaft.
De Raad heeft het hoger beroep behandeld op de zitting van 15 december 2025. [Appellant] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De gouverneur heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Waar gaat de zaak over?
1.1. [
Appellant] werkt bij het Korps Politie Aruba (KPA), sinds 28 december 2012 in de functie van Chef van dienst. Per 1 december 2014 is hij bevorderd naar de rang van onderinspecteur (schaal 8, dienstjaar 7).
1.2.
Met het landsbesluit van 13 november 2023 (bestreden landsbesluit) is [appellant] met ingang van 1 januari 2021 bevorderd naar de rang van onderinspecteur 1e klasse (schaal 9, dienstjaar 5).
1.3. [
Appellant] heeft tegen de ingangsdatum van zijn bevordering bezwaar gemaakt.
Wat is het oordeel van het Gerecht?
2.1.
Het Gerecht heeft vastgesteld dat [appellant] per 1 december 2019 voldoet aan vier van de vijf voorwaarden om te kunnen worden bevorderd naar de rang van onderinspecteur 1e klasse. Hij voldoet niet aan de anciënniteitseis van vijf jaar. Het Gerecht heeft geoordeeld dat de gouverneur de ingangsdatum van de bevordering van [appellant] naar de rang van onderinspecteur 1e klasse heeft kunnen bepalen op 1 januari 2021.
2.2.
Het Gerecht heeft gewezen op de bestendige jurisprudentie van de Raad waaruit volgt dat het bestuursorgaan bevoegd is om de ingangsdatum van een bevordering uit te stellen indien sprake is van afwezigheid door langdurige arbeidsongeschiktheid. De gouverneur hanteert voor de bepaling van de vertraging van het moment van bevordering een vaste gedragslijn, het zogenaamde “90-dagen beleid”. Deze gedragslijn is diverse keren bijgesteld naar aanleiding van diverse uitspraken van de Raad. De lijn die de gouverneur thans hanteert is dat een afwezigheid van (maximaal) 90 dagen geen invloed heeft op de anciënniteitseis. Als een ambtenaar 90 dagen of langer afwezig is geweest dan wordt daarmee rekening gehouden bij de bepaling van de ingangsdatum van de bevordering. Deze termijn van 90 dagen geldt bij een anciënniteitsperiode van vier jaar. Bij een anciënniteitsperiode van vijf jaar wordt het aantal dagen verhoogd van 90 naar 112,5. Bij een periode van inactiviteit door arbeidsongeschiktheid van 90 respectievelijk 112,5 dagen of meer wordt de ingangsdatum van de bevordering verschoven met het totaal aantal dagen arbeidsongeschiktheid boven de 90 of de 112,5 dagen. Ook wordt rekening gehouden met het aantal dagen in de anciënniteitsperiode waarop door arbeidsongeschiktheid wel deels maar niet volledig is gewerkt.
2.3.
Voor [appellant] bedraagt de anciënniteitsperiode vijf jaar. Gedurende die periode is [appellant] volgens het Gerecht 480 dagen arbeidsongeschikt geweest. Dat betekent dat de ingangsdatum van de bevordering wordt verschoven met (480 - 112,5 =) 367,5 dagen. Uitgaande van 1 december 2019 komt een verschuiving met 367,5 dagen uit op 2 december 2020, om uitvoeringstechnische reden afgerond naar de eerste dag van de eerstvolgende maand, zijnde 1 januari 2021. De conclusie van het Gerecht is dat de gouverneur in het geval van [appellant] op correcte wijze toepassing heeft gegeven aan het 90-dagen beleid. Wat [appellant] verder heeft aangevoerd, zoals onder andere het maken van overuren, zijn volgens het Gerecht geen bijzondere omstandigheden die maken dat de gouverneur in dit geval had moeten afwijken van zijn 90-dagen beleid.
Wat heeft [appellant] aangevoerd tegen de uitspraak van het Gerecht?
3.1. [
Appellant] heeft gronden tegen de ingangsdatum van zijn bevordering aangevoerd in zijn hoger beroepschrift. In een email van 24 november 2025 is [appellant] gewezen op een drietal uitspraken van de Raad van 3 november 2025 (gepubliceerd onder de nummers: EECLI:NL:ORBAACM:2025:24, 25 en 26) die op zijn gronden betrekking hebben. Met het oog daarop heeft de Raad hem verzocht, uiterlijk acht dagen voor de zitting, mee te delen welke gronden [appellant] in hoger beroep handhaaft.
3.2.
In zijn email van 5 december 2025 heeft [appellant] geantwoord dat hij uitsluitend de beroepsgrond handhaaft dat de gouverneur het zogenoemde 90- dagen beleid ten onrechte heeft toegepast bij het bepalen van de ingangsdatum van de bevordering. Volgens [appellant] is dit beleid niet schriftelijk vastgesteld, niet bekendgemaakt en kan het daarom niet als wetsinterpreterend beleid worden aangemerkt. Het hoger beroep richt zich daarmee uitsluitend nog op de vraag of de gouverneur in dit concrete geval het 90-dagen beleid rechtmatig heeft toegepast bij het bepalen van de ingangsdatum van de bevordering.
3.3.
Ter zitting van de Raad heeft [appellant] zijn standpunt nader bepaald. Niet langer betwist hij de rechtmatigheid van het 90-dagen beleid, maar betwist hij de concrete toepassing van dit beleid in zijn situatie.
Hoe oordeelt de Raad?
4.1.
Gelet op het door [appellant] ter zitting ingenomen standpunt staat ter beoordeling de vraag of het Gerecht bij de aangevallen uitspraak terecht heeft vastgesteld dat de concrete toepassing van het 90-dagen beleid in het geval van [appellant] op correcte wijze heeft plaatsgevonden.
4.2.
De Raad beantwoordt deze vraag ontkennend op grond van de volgende overwegingen.
4.3.
In de contra-memorie in eerste aanleg heeft de gouverneur een overzicht gegeven van de dagen waarop [appellant] arbeidsongeschikt is geweest in de periode van 1 december 2014 tot 1 december 2019. Het totaal aantal dagen waarop [appellant] in deze periode volledig arbeidsongeschikt is geweest bedraagt 380. In de periodes van 20 mei 2019 tot en met 15 oktober 2019 (149 dagen) en van 28 oktober 2019 tot en met 30 november 2019 (34 dagen) is [appellant] 50% arbeidsongeschikt geweest. Het totaal aantal dagen waarop [appellant] 50% arbeidsongeschikt is geweest bedraagt 183. De dagen in deze periodes tellen niet volledig mee, maar slechts voor de helft. Dat betekent dat (183 : 2 =) 91,5 dagen meetellen. In de relevante periode is dan sprake van (380 + 91,5 =) 471,5 arbeidsongeschiktheidsdagen. Daarop wordt in mindering gebracht (90 x 5/4 =) 112,5 dagen. Het totaal aantal dagen dat op grond van het 90 dagen beleid mag worden toegevoegd aan de anciënniteitsperiode bedraagt dan (471,5 - 112,5 =) 359 dagen. 359 dagen na 1 december 2019 is 23 november 2020. Een bevordering gaat om uitvoeringstechnische redenen in op de eerste dag van de volgende maand. In dit geval is dat 1 december 2020.

Conclusie

5.1.
De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is en de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat het Gerecht had moeten doen, zal de Raad het bezwaar tegen het bestreden landsbesluit alsnog gegrond verklaren, het bestreden landsbesluit vernietigen en de gouverneur opdracht geven een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
5.2.
De Raad ziet aanleiding de gouverneur te veroordelen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en hoger beroep.

Beslissing

De Raad:
-
vernietigtde aangevallen uitspraak;
-
verklaarthet bezwaar
gegrond;
-
vernietigtde bestreden beschikking;
-
bepaaltdat de Gouverneur van Aruba binnen vier weken na dagtekening van deze uitspraak een nieuwe beschikking op het bezwaar van appellant neemt met inachtneming van deze uitspraak;
-
veroordeeltde Gouverneur van Aruba tot betaling aan appellant van zijn
proceskostenin bezwaar en in hoger beroep tot een bedrag van Afl. 2.800,00 (zegge: tweeduizend en achthonderd gulden), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus gegeven door mr. M.C. Bruning voorzitter, mr. A.H.M. van de Leur en
mr. J. Sybesma, leden, en in het openbaar uitgesproken op 9 februari 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.