ECLI:NL:ORBAACM:2026:13

Raad van Beroep in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
9 februari 2026
Publicatiedatum
11 februari 2026
Zaaknummer
AUA2025H00025
Instantie
Raad van Beroep in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 Landsbesluit bijzondere rechtspositionele bepalingen gevangenispersoneelArt. 13 Landsbesluit bijzondere rechtspositionele bepalingen gevangenispersoneel
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging inpassing en bevordering na reorganisatie Dienst Gevangeniswezen Aruba

Appellant werkt sinds 1999 bij de Dienst Gevangeniswezen Aruba en was voor de reorganisatie gevangenisinrichtingswerker schaal 6. Na een reorganisatie is hij met ingang van 1 januari 2021 ingepast in de functie van penitentiair inrichtingswerker, schaal 7, dienstjaar 9. Appellant maakte bezwaar tegen dit inpassingsbesluit en stelde dat hij als oudste in rang geplaatst had moeten worden als ploegcommandant (schaal 9).

Het Gerecht in Ambtenarenzaken verklaarde het bezwaar ongegrond en oordeelde dat het gehanteerde rangenstelsel geen wettelijke grondslag heeft en als beleidsregel moet worden aangemerkt. De functie van appellant is volgens het Mens-volgt-Taak-principe passend en de afgifte van een epaulet betekent niet dat hij stilzwijgend in een andere functie is geplaatst.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat het beleid niet in zijn nadeel mag worden toegepast en dat zijn benoeming als ploegcommandant geformaliseerd moet worden. De Raad van Beroep oordeelt dat de inpassing en bevordering naar schaal 7 voordelig voor appellant is en dat vernietiging van het besluit dit voordeel zou wegnemen. Ook is vastgesteld dat de afwijzing van plaatsing als ploegleider volgens de regels is verlopen.

De Raad bevestigt de uitspraak van het Gerecht en wijst het hoger beroep af. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het inpassingsbesluit wordt bevestigd.

Uitspraak

Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La)

Uitspraakdatum: 9 februari 2026
Zaaknummer: AUA2025H00025

RAAD VAN BEROEP

IN AMBTENARENZAKEN
ARUBA

Uitspraak

op het hoger beroep van:

[Appellant],

wonend in Aruba,
appellant ([appellant]),
gemachtigde: mr. R.P. Lee, advocaat,
tegen de uitspraak van het Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba (Gerecht) van
30 januari 2025, AUA202302353 (aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
[Appellant]
en

de Gouverneur van Aruba,

geïntimeerde (hierna: de gouverneur),
gemachtigde: mr. V.M. Emerencia.

Procesverloop

[Appellant] heeft hoger beroep ingesteld.
De gouverneur heeft een contramemorie ingediend.
De Raad heeft het hoger beroep behandeld op de zitting van 16 december 2025. [Appellant] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De gouverneur heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Waar gaat de zaak over?
1.1. [
Appellant] werkt sinds 1 oktober 1999 bij de Dienst Gevangeniswezen Aruba (DGWA), sinds 1 november 2008 in de functie van gevangenisinrichtingswerker, schaal 6.
1.2.
Na goedkeuring op 20 augustus 2019 van het formatierapport DGWA 2019 , is bij besluit van 1 november 2019 (de nieuwe organisatie van) de DGWA ingesteld. Op 18 mei 2021 is het besluit genomen de reorganisatie van DGWA met ingang van 1 januari 2021 te implementeren.
1.3.
Met het landsbesluit van 13 april 2023 (inpassingsbesluit) is [appellant] met ingang van 1 januari 2021 ingepast in de functie van penitentiair inrichtingswerker, en bevorderd naar schaal 7, dienstjaar 9.
1.4. [
appellant] heeft tegen het inpassingsbesluit bezwaar gemaakt.
Wat is het oordeel van het Gerecht?
2. Het Gerecht heeft het bezwaar van [appellant] ongegrond verklaard. Daarbij heeft het Gerecht het volgende overwogen.
2.1.
De Raad verwijst allereerst naar de onderdelen 2 en 3 van de aangevallen uitspraak, gepubliceerd onder nr. ECLI:NL:OGAACMB:2025:31, waarin het Gerecht de belangrijkste uitgangspunten bij de reorganisatie heeft verwoord en de juridische grondslag van het inpassingsbesluit heeft uiteengezet.
2.2.
Het Gerecht heeft vervolgens vastgesteld dat een wettelijke grondslag voor het gehanteerde rangenstelsel geheel dan wel grotendeels ontbreekt. Het door de gouverneur bij de reorganisatie en inplaatsingsbesluiten gehanteerde rangenstelsel, met bijbehorende schalering en bevorderingseisen heeft het Gerecht daarom aangemerkt als beleidsregels.
2.3. [
Appellant] was voor de reorganisatie werkzaam als gevangenisinrichtingswerker. Deze functie is in de nieuwe organisatie niet gewijzigd. De functie heeft een andere naam gekregen en de functie is een schaal hoger gewaardeerd. Volgens het Mens-volgt-Taak-principe is de functie van penitentiair inrichtingswerker de meest passende functie voor [appellant].
2.4.
Het Gerecht volgt het standpunt van [appellant] niet dat hij als oudste in rang geplaatst had moeten worden in de functie van ploegcommandant (schaal 9). Het beroep dat [appellant] doet op de artikelen 11, vierde lid, en 13, eerste tot en met het vierde lid, van het Landsbesluit bijzondere rechtspositionele bepalingen gevangenispersoneel gaat niet op, omdat het hier niet gaat over een bevordering, maar over een inpassing na reorganisatie. Het standpunt van [appellant] dat hij stilzwijgend ploegcommandant is geworden, omdat hij bij zijn 25-jarig ambtsjubileum een epaulet heeft ontvangen dat hoort bij de functie van ploegcommandant, slaagt evenmin. De afgifte van een epaulet kan niet het rechtsgevolg hebben dat [appellant] in een andere functie is geplaatst. [Appellant] heeft het epaulet overigens ontvangen omdat hij de rang van Opzichter (schaal 7) heeft. Een ploegcommandant kan ook de rang van Opzichter (schaal 7) hebben en dat maakt dat het epaulet zowel door een penitentiaire inrichtingswerker als door een ploegcommandant kan worden gedragen.
2.5. [
Appellant] heeft wel zijn belangstelling kenbaar gemaakt voor de functie van ploegcommandant, maar de gouverneur heeft voldoende gemotiveerd waarom [appellant] niet in deze functie is geplaatst.
Wat heeft [appellant] aangevoerd tegen de uitspraak van het Gerecht?
3.1. [
Appellant] heeft aangevoerd dat de aangevallen uitspraak en het bestreden landsbesluit niet in stand kunnen blijven, omdat het rangenstelsel dat geen wettelijke grondslag heeft en als beleid aangemerkt dient te worden, niet in het nadeel van [appellant] kan worden toegepast. [Appellant] heeft zijn grond herhaald dat hem de epauletten van ploegcommandant zijn toegekend en vordert dat deze ‘formalisatie’ van zijn benoeming als ploegcommandant ook daadwerkelijk wordt uitgevoerd.
Hoe oordeelt de Raad?
4.1.
De Raad heeft in wat in hoger beroep is aangevoerd geen aanleiding gevonden om anders te oordelen dan het Gerecht heeft gedaan en volstaat met het maken van enkele opmerkingen.
4.2.
De inpassing van [appellant] in de functie van penitentiair inrichtingswerker heeft geleid tot bevordering naar schaal 7. De functie van penitentiair inrichtingswerker is in het formatierapport maximaal gewaardeerd op schaal 7 en [appellant] voldeed aan alle vereisten om te worden bevorderd van schaal 6 naar schaal 7. De Raad stelt vast dat
toepassing van het beleid in dit geval niet nadelig, maar voordelig is voor [appellant]. Een vernietiging van de aangevallen uitspraak en het bestreden landsbesluit zou tot gevolg hebben dat dit voordeel bij [appellant] wordt weggenomen.
4.3.
Ter zitting heeft [appellant] erkend dat hij tegen de afwijzing om hem te plaatsen in de functie van ploegleider zonder succes de interne bezwaarprocedure heeft doorlopen. Los van de inhoudelijke argumenten om [appellant] niet in te passen in de functie van ploegleider, moet worden vastgesteld dat deze beslissing ook berust op een volgens de regels verlopen procedure.

Conclusie

5.1.
De slotsom is dat het hoger niet slaagt. De Raad zal de aangevallen uitspraak bevestigen.
5.2.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Raad
bevestigtde aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. M.C. Bruning voorzitter, mr. A.H.M. van de Leur en
mr. J. Sybesma, leden, en in het openbaar uitgesproken op 9 februari 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.