Appellant werkt sinds 1999 bij de Dienst Gevangeniswezen Aruba en was voor de reorganisatie gevangenisinrichtingswerker schaal 6. Na een reorganisatie is hij met ingang van 1 januari 2021 ingepast in de functie van penitentiair inrichtingswerker, schaal 7, dienstjaar 9. Appellant maakte bezwaar tegen dit inpassingsbesluit en stelde dat hij als oudste in rang geplaatst had moeten worden als ploegcommandant (schaal 9).
Het Gerecht in Ambtenarenzaken verklaarde het bezwaar ongegrond en oordeelde dat het gehanteerde rangenstelsel geen wettelijke grondslag heeft en als beleidsregel moet worden aangemerkt. De functie van appellant is volgens het Mens-volgt-Taak-principe passend en de afgifte van een epaulet betekent niet dat hij stilzwijgend in een andere functie is geplaatst.
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat het beleid niet in zijn nadeel mag worden toegepast en dat zijn benoeming als ploegcommandant geformaliseerd moet worden. De Raad van Beroep oordeelt dat de inpassing en bevordering naar schaal 7 voordelig voor appellant is en dat vernietiging van het besluit dit voordeel zou wegnemen. Ook is vastgesteld dat de afwijzing van plaatsing als ploegleider volgens de regels is verlopen.
De Raad bevestigt de uitspraak van het Gerecht en wijst het hoger beroep af. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.