Appellante werkt sinds 1996 bij DGWA en is na een reorganisatie per 1 januari 2021 ingepast in de functie van maatschappelijk werker, later gewijzigd naar bedrijfsmaatschappelijk werker. Zij maakte bezwaar tegen dit inpassingsbesluit omdat zij niet werd geplaatst in leidinggevende functies waarvoor zij belangstelling had.
Het Gerecht in Ambtenarenzaken verklaarde het bezwaar ongegrond, stellende dat de inpassing volgens het 'Mens-volgt-Taak-principe' correct was uitgevoerd en dat appellante niet voldeed aan de vereisten voor de leidinggevende functies, met name het ontbreken van een WO-diploma.
In hoger beroep herhaalt appellante haar bezwaren, waaronder het beroep op het gelijkheidsbeginsel en het ontbreken van een nieuwe functiewaardering. De Raad oordeelt dat het Gerecht de juiste procedure heeft gevolgd en dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt omdat appellante niet heeft aangetoond dat anderen zonder WO-diploma zijn geplaatst in leidinggevende functies.
De Raad kan geen oordeel geven over besluiten van algemene strekking zoals functiewaardering en gaat voorbij aan persoonlijke ontwikkelingsklachten. Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.