Een ambtenaar, werkzaam als juridisch beleidsmedewerker bij de Dienst Financiën, ontving sinds 1997 een schaarstetoelage die in de loop der jaren werd verhoogd tot 20%. Na een wettelijke wijziging werd deze toeslag per 1 augustus 2024 ambtshalve verhoogd naar 25%. De ambtenaar ging in 2026 met pensioen en betwistte niet de verhoging zelf, maar dat de toeslag pas vanaf 1 januari 2024 meetelt voor haar pensioengrondslag.
Zij vorderde een terugwerkende kracht van de toeslag tot 2011 en dat deze meetelt voor haar pensioenopbouw, mede in afwachting van een herziening van de bezoldigingsregeling die niet is gerealiseerd. Het Gerecht verklaarde haar bezwaar ongegrond omdat het niet gericht was tegen de bestreden beschikking.
In hoger beroep stelde de ambtenaar dat de minister onvoldoende rekening hield met haar persoonlijke omstandigheden en dat er geen overgangsregeling of hardheidsclausule is. Zij stelde dat de toeslag ook zonder herziening van de bezoldigingsregeling op basis van buitenwettelijk begunstigend beleid mee zou moeten tellen voor het pensioen.
De Raad oordeelde dat het procesbelang ontbreekt omdat de ambtenaar met haar beroep niet het beoogde resultaat kan bereiken. De Raad kan alleen oordelen over de rechtmatigheid van de verhoging van de toeslag naar 25%, niet over het uitblijven van regelgeving of beleid omtrent pensioenopbouw. Het hoger beroep is daarom niet-ontvankelijk verklaard.