De zaak betreft het hoger beroep van de commandant van de Brandweer Aruba tegen zijn ontslag wegens ernstig plichtsverzuim. Het ontslag volgde op een intern disciplinair onderzoek dat diverse onregelmatigheden aan het licht bracht, zoals onrechtmatige declaraties, het gedogen van nevenactiviteiten zonder toestemming, onregelmatige verkoop van dienstgoederen en onzorgvuldige omgang met vuurwapens.
De gouverneur van Aruba legde de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag op, welke door het Gerecht in Ambtenarenzaken werd bevestigd. De Raad van Beroep heeft het hoger beroep behandeld en de aangevallen uitspraak bevestigd. De Raad oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat het plichtsverzuim ernstig was, mede door het aanzienlijke vertrouwen dat de commandant genoot en de financiële schade die zijn handelen veroorzaakte.
De Raad verwierp de preliminaire verweren van de appellant, waaronder het beroep op verjaring en onwettigheid van het onderzoek. Ook het beroep op onwetendheid werd afgewezen, aangezien van een leidinggevende mag worden verwacht dat hij op de hoogte is van relevante regelingen. Het gedogen van nevenactiviteiten zonder toestemming werd als plichtsverzuim aangemerkt.
De Raad concludeerde dat de opgelegde disciplinaire straf niet onevenredig is en wees het verzoek om schadevergoeding af. De uitspraak werd in het openbaar uitgesproken op 9 februari 2026.