Uitspraak
zitting houdende in Aruba,
Raad van Beroep voor Belastingzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Belanghebbende was gehuwd en heeft drie dochters die bij hun moeder in Nederland wonen. Na echtscheiding betaalde hij alimentatie en wilde hij in 2006 een bedrag aftrekken als buitengewone lasten voor het levensonderhoud van zijn kinderen. De Inspecteur wees dit af en verleende kinderaftrek.
Belanghebbende stelde dat hij als ouder van wettige kinderen werd gediscrimineerd omdat zijn kinderen niet tot zijn huishouden behoren, waardoor hij geen kinderaftrek kon krijgen. Hij verwees naar het Marckx-arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens. De Raad nam aan dat er geen discriminatie was en oordeelde dat ouders van wettige kinderen die niet tot hun huishouden behoren geen recht hebben op aftrek van buitengewone lasten, ook al is kinderaftrek niet van toepassing.
Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat de wetgeving per 1 januari 2005 was gewijzigd en de Inspecteur in 2005 ten onrechte buitengewone lasten had toegestaan, wat geen rechtens te honoreren vertrouwen schept voor 2006. De Raad verklaarde het beroep tegen de inkomstenbelastingaanslag ongegrond, maar oordeelde dat het bezwaar tegen de premieheffingen ontvankelijk had moeten worden verklaard omdat belanghebbende geen belang had bij het bezwaar tegen de premies.
Uitkomst: Het beroep tegen de inkomstenbelastingaanslag wordt ongegrond verklaard, het bezwaar tegen de premieheffingen wordt ontvankelijk verklaard.