Belanghebbende exploiteert een casino en was onderwerp van een boekenonderzoek naar de correcte afdracht van speelvergunningsrecht over de jaren 2002 tot en met 2009. De Inspecteur legde naheffingsaanslagen op wegens vermeende onjuiste opgave van de bruto ontvangsten, met name over pokeropbrengsten en zogenaamde markers. Belanghebbende betwistte de wettelijke basis van de heffing, de rechtmatigheid van de naheffingsaanslagen, de correctheid van de markercorrectie, en stelde dat poker een behendigheidsspel is waarover geen speelvergunningsrecht verschuldigd is.
De Raad oordeelde dat de heffing van speelvergunningsrecht een wettelijke basis heeft in de Landsverordening speelvergunningsrecht hazardspelen en bij landsbesluit is geregeld dat de belasting maandelijks op aangifte wordt voldaan. Poker kwalificeert als hazardspel omdat de toevalsfactor overheerst en de behendigheid van spelers niet zodanig is dat het karakter van kansspel verdwijnt. De door belanghebbende betaalde belasting op de pokeromzet kan niet worden verrekend met de naheffingsaanslagen.
De correctie van de markers was onterecht omdat de omzet daarvan reeds in de aangegeven table drop was begrepen. De naheffingsaanslagen werden daarom verminderd met het bedrag van de markers, behoudens een klein bedrag dat niet was betaald. De opgelegde boeten werden passend geacht wegens grove schuld, maar gematigd vanwege de lange termijn tussen boeteaankondiging en uitspraak. Het beroep werd deels gegrond verklaard, deels ongegrond en deels niet-ontvankelijk.