Conclusie
Tijdig gekomen in cassatie heeft de man de volgende middelen aangevoerd:
Het eerste middel bestrijdt niet de beslissing van het Hof, welke in r.o.v. 8 ligt opgesloten, dat ook de rechtshandelingen, en met name de proces-handelingen van hem, die met rechterlijke machtiging in een krankzinnigengesticht is geplaatst, vatbaar zijn voor bekrachtiging, doch betoogt enkel, dat in een procedure als de onderhavige zodanige bekrachtiging niet mogelijk is, omdat de nietigheid van de eerste proceshandeling van de vrouw, te weten het verzoeken van het presidiaal verlof, de nietigheid van de door de President daarop gegeven toewijzende beschikking tengevolge had, en deze laatste nietigheid niet door de achteraf door de vrouw gedane bekrachtiging kon worden opgeheven.