Uitspraak
Gehoord partijen;
Gehoord den Advocaat-Generaal s’Jacob, namens den Procureur-Generaal, concluderende tot verwerping van het beroep in cassatie met veroordeling van eiser in de kosten op het beroep gevallen;
Gezien de stukken;
Overwegende dat uit het bestreden arrest blijkt: dat de verweerster in cassatie – verder te noemen; [de vrouw] – tegen den eiser tot cassatie – verder [de man] te noemen -, met wien zij op [datum] 1923 te [plaats] is gehuwd, na van den President der Rechtbank te Zwolle bij diens beschikking van 31 Mei 1955 verlof te hebben bekomen, een vordering heeft ingesteld voor de Rechtbank te Zwolle, onder meer hiertoe strekkende, dat partijen verklaard zullen worden gescheiden van tafel en bed, op grond van door [de vrouw] gestelde buitensporigheden en ernstige beledigingen, welke vordering, na verweer van [de man] , de Rechtbank bij vonnis van 28 Maart 1956 heeft toegewezen;
“dat deze akte het afleggen van genoemde verklaring bewijst en dat [de man] geen bewijs van het tegendeel heeft aangeboden, zodat het afleggen van de verklaring ten processe vaststaat;
Gedaan bij de Heren Donner, President, Smits, de Jong, Hülsmann en Petit, Raden, en door voornoemden President uitgesproken ter openbare terechtzitting van den negen en twintigsten November 1900 zeven en vijftig, in tegenwoordigheid van den Procureur-Generaal.