ECLI:NL:PHR:1957:4
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beperking bedrijfsschade door uitvallen trammaterieel na aanrijding en aansprakelijkheid kosten reservevoorziening
In deze zaak staat de vergoeding van bedrijfsschade centraal die de Rotterdamse Tramweg Maatschappij (R.T.M.) lijdt door het uitvallen van trammaterieel na een aanrijding waarvoor de Stoombootrederij op de Lek aansprakelijk is gesteld. Het hof had de bedrijfsschade berekend door de kosten van het in reserve houden van een locomotief en een reserve-personenrijtuig te verminderen met het aantal dagen dat het materieel daadwerkelijk dienst deed, inclusief de dagen dat het reserve-materieel inviel bij schade door schuld van derden.
De cassatie richt zich tegen deze wijze van schadeberekening. De Hoge Raad oordeelt dat het hof ten onrechte heeft aangenomen dat er geen bedrijfsschade wordt geleden in de periode dat het reserve-materieel daadwerkelijk in gebruik is. Immers, ook dan worden kosten gemaakt die niet worden uitgespaard, zoals rente, onderhoud en opslagkosten. Daarnaast is het onduidelijk of de bedragen voor het in reserve houden van materieel alleen betrekking hebben op ongebruikte dagen of ook op de kosten van het gereed houden voor invallen.
De Hoge Raad constateert dat het hof zijn motivering onvoldoende heeft toegelicht en dat de gevolgde redenering onjuist is. Daarom wordt het arrest vernietigd en wordt de zaak verwezen naar het gerechtshof te 's-Gravenhage voor een hernieuwde behandeling en beslissing, met inachtneming van de door de Hoge Raad gegeven richtlijnen.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen voor hernieuwde behandeling.