Conclusie
absoluteveiligheid van de reiziger (hetgeen de disculpatiemogelijkheid voor de vervoerder aanmerkelijk zou verkleinen), doch dat [verweerster] haar vordering, zoals uit de inleidende dagvaarding blijkt, met name hierop heeft gegrond, dat de Gemeente krachtens de vervoerovereenkomst verplicht was [verweerster] veilig te vervoeren.
aanvankelijkde Wetgever niet de gedachte voor ogen heeft gestaan bij de regeling van de aansprakelijkheid van de ondernemer van een openbaar middel van vervoer, met betrekking waartoe een bijzondere wet is uitgevaardigd, aan een verbintenis uit overeenkomst doch dat de wetgever gedoeld heeft op een aansprakelijkheid uit de wet. Tot goed begrip van deze materie dient terug te worden gegaan tot de tot standkoming van de eerste bepaling op dit gebied, te weten art. 1 van Pro de Wet van de 21ste augustus 1859 (S.98), houdende bepalingen omtrent het gebruik der Spoorwegen.