ECLI:NL:HR:1971:AC5093
Hoge Raad
- Cassatie
- Wiarda
- Dubbink
- de Meijere
- Peters
- Minkenhof
- Rechtspraak.nl
Aansprakelijkheid vervoerder bij val passagier in tram binnen gemeente
In deze zaak vordert een passagier, die tijdens het vervoer in een tram van de Rotterdamse Electrische Tram ten val kwam en ernstig gewond raakte, schadevergoeding van de vervoerder, de Gemeente Rotterdam. De passagier stelt dat de vervoerder krachtens de vervoersovereenkomst aansprakelijk is voor de geleden schade.
De rechtbank oordeelde dat de vervoersovereenkomst niet inhoudt dat de vervoerder instaat voor absolute veiligheid, maar slechts voor zorgvuldigheid, en wees de vordering af. Het hof vernietigde dit vonnis en stelde dat de bewijslast bij de vervoerder ligt om aan te tonen dat de schade buiten zijn schuld is ontstaan, mede op grond van analoge toepassing van bepalingen uit de Spoorwegwet en Lokaalspoor- en Tramwegwet.
De Hoge Raad verwierp het beroep van de Gemeente en bevestigde dat de vervoerder verplicht is de passagier veilig naar bestemming te brengen en dat bij schade door letsel de bewijslast bij de vervoerder ligt om onschuld aan te tonen. De analoge toepassing van wettelijke bepalingen is gerechtvaardigd, en de vervoerder kan niet ontkomen aan aansprakelijkheid zonder bewijs dat hem geen schuld treft.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de vervoerder aansprakelijk is voor schade aan passagiers tenzij hij bewijst dat de schade buiten zijn schuld is ontstaan.