Conclusie
Ook de Kantonrechter heeft in zijn vonnis vastgesteld, dat de gestelde huurovereenkomst met betrekking tot een gedeelte van het perceel [a-straat 1] te [plaats] als niet, althans onvoldoende, weersproken tussen partijen in rechte vaststaat. De Kantonrechter heeft evenwel uit de dingtalen afgeleid, dat der partijen geschil betrekking had op een naast die huurovereenkomst staande verzorgingsovereenkomst, op grond waarvan de Kantonrechter zich onbevoegd heeft verklaard van het geschil kennis te nemen en de zaak naar de Rechtbank heeft verwezen.
onderdeel avan het
eerste middelvan cassatie tevergeefs bestreden, omdat dit onderdeel van het middel zich richt tegen de uitleg die de Rechtbank aan een der stukken van het geding heeft gegeven alsook tegen de vaststelling van hetgeen partijen zijn overeengekomen, welke uitleg en vaststelling zijn voorbehouden aan de rechter, die over de feiten oordeelt, en die in cassatie niet ten toets kunnen komen.
tweede middelvan cassatie mist, naar het mij voorkomt, in de eerste plaats feitelijke grondslag. Uit de slotoverweging van het vonnis van 28 november 1973, welke in het eindvonnis is overgenomen en waarnaar de Rechtbank zegt zich te gedragen, worden door [verweerder] overgelegde producties vermeld, waaruit evenwel, naar het voorlopig oordeel van de Rechtbank, onvoldoende bewijs van de posita van [verweerder] kan worden geput, hetgeen althans enig bewijs impliceert.