Conclusie
middel I, in hoofdzaak in onderdeel a en b, heeft de Gemeente (eiseres in cassatie) zich erover beklaagd dat het Hof haar beroep op gezag van gewijsde van het eerder tussen partijen gewezen arrest van 29 januari 1973 ten onrechte niet heeft gehonoreerd. Ik meen dat deze klacht ongegrond is.
onderdeel b aanhefis gesteld — beide partijen, met name ook [verweerder 1] , in dit geding ervan zouden zijn uitgegaan dat het Hof in zijn in het eerste geding gewezen arrest zou hebben beslist dat in de overeenkomst met ‘’belastingschade’’ het begrip zou zijn bedoeld zoals gehanteerd in het onteigeningsrecht, acht ik onjuist. [verweerder 1] stelt in zijn mem.v.gr. p. 5, alinea 7, uitsluitend dat, nu in de door hem ondertekende akte blijkbaar volgens het eerdere arrest het begrip belastingschade in die zin is neergelegd en hij ( [verweerder 1] ) anderzijds bij zijn ondertekening met dat begrip bedoelde de vergoeding van de gehele som aan inkomstenbelasting, hij in dwaling heeft getekend. Erkenning van zodanige inhoud van de
overeenkomst— wel te onderscheiden van ‘’akte’’ — is uit zodanige context niet te halen. Men zij er bovendien op bedacht dat [verweerder 1] deze stelling brengt in het kader van zijn subsidiair beroep op dwaling, namelijk voor het geval ontbreken van algehele wilsovereenstemming door het Hof niet zou worden aanvaard.
middel II onderdeel a. De gehele koopprijs kwam ter discussie te staan. Vgl. H.R. 14 juni 1968, N.J. 1968 no. 331. Dat het hier een bestendig en gebruikelijk beding zou betreffen, is overigens geen novum, zoals [verweerder 1] bij pleidooi heeft doen zeggen, gezien mem.v.antw. p. 19 midden en pleidooi voor het Hof van de zijde van gemeente (p. 15 midden).
middel I— het beroep op dit misverstand en het aldus ontbreken van een overeenkomst [verweerder 1] in de gegeven omstandigheden als in strijd met de goede trouw niet (meer) toekomt. Anderzijds wordt geklaagd, dit in hoofdzaak in
middel II, dat ondanks dit misverstand in de gegeven omstandigheden een overeenkomst tot stand is gekomen. De gegeven motivering zou in ieder geval onvoldoende zijn.
c(p. 23 grosse) lees ik de gedachte dat in casu, nu partijen een voor misverstand vatbare uitdrukking ‘’belastingschade’’ bezigden, [verweerder 1] door een overeenkomst met die term aan te gaan nog geen handeling heeft verricht die bij de gemeente het gerechtvaardigde vertrouwen zou hebben gewekt of zou hebben kunnen wekken, dat hij het begrip ‘’belastingschade’’ zou hebben opgevat in de door de Gemeente bedoelde zin. Het Hof vergde naast de gedraging bestaande in de toetreding tot het contract uitlatingen of andere gedragingen die een zodanig vertrouwen zouden wettigen, en stelde vast dat daaromtrent niets was gesteld.
onderdeel c van middel IIbegrepen is.
onderdeel a van middel Idat [verweerder 1] na eerst nakoming verlangd te hebben, niet meer kan stellen dat partijen elkaar hadden misverstaan, zodat een overeenkomst ontbreekt, komt mij onvoldoende voor. In casu kwam immers vast te staan dat het geschil van partijen niet stak in de enkele uitleg van een beding, waarop het eerste geding gegrond was, doch in een van de aanvang af bestaand fundamenteel verschil van inzicht omtrent de betekenis van de clausule, waarin zij elkaar gevonden meenden te hebben. Vgl. r.o. 15
cvan het bestreden arrest. Op deze grond steunde in feite de afwijzing van de oorspronkelijke vordering van [verweerder 1] , die zich dan ook in zoverre (daarna) op het standpunt kon stellen dat deze overeenkomst er niet was. Vgl. hetgeen hier eerder werd aangetekend naar aanleiding van het beroep op gezag van gewijsde. De vraag, of [verweerder 1] in die richting tijdig activiteiten ontwikkelde, acht ik verder feitelijk, terwijl hetgeen het Hof te dien aanzien overwoog mij geenszins onbegrijpelijk voorkomt. Uit de stukken blijkt trouwens niet — het is met name niet gesteld — dat de positie van de gemeente zou zijn verzwaard door het tijdsverloop sedert 16 februari 1965, op welke dag aan [verweerder 1] voor het eerst duidelijk is geworden — naar het Hof (r.o. 2a) feitelijk vaststelde en waartegen
onderdeel e van middel Itevergeefs met een motiveringsklacht opkomt, betreffende dit een feitelijke afweging die aan de rechter die over de feiten oordeelt, is overgelaten — dat tussen partijen een aanzienlijk verschil van mening bestond over de vergoeding van de belastingschade, en vanaf welke dag eerst actie van de zijde van [verweerder 1] verwacht mocht worden. Voor factoren die hierbij kunnen spelen en betreffende gegevens moge ik verder verwijzen naar mijn conclusie in de zaken van Flink tegen de Nijs en Biesterbos onder rolno. 10.966/7 naar aanleiding van het voorwaardelijk ingestelde incidentele cassatiemiddel.
onderdeel c gelezen in verband met onderdeel a van middel I(waarbij gelet op
onderdeel h en i van middel II) en tot vernietiging van het bestreden arrest zou moeten leiden.