Conclusie
Tot 1956werd het rechtskarakter van stichtingen beheerst door de gewoonte en de rechtspraak (zie Asser-Schol- ten-Bregstein I, 2e stuk, 2e druk, 1954, blz. 194): "Een stichting is een door eenzijdige verklaring in het leven geroepen rechtspersoon. Deze verklaring moet inhouden de afzondering van een vermogen voor een bepaald ideëel doel met aanduiding op welke wijze het vermogen zal worden beheerd en gebruikt (organisatie)."
Wet op stichtingenbepaalt art. 1, lid 1: "Een stichting is een door een rechtshandeling in het leven geroepen rechtspersoon, welke geen leden kent en beoogt met behulp van een daartoe bestemd vermogen een bepaald doel te verwezenlijken." Art. 3, leden 1-3, Wet op stichtingen bevat de vereisten voor de oprichting en art. 3, lid 4, Wet op stichtingen bepaalt: "Wanneer aan de vereisten, in de vorige leden van dit artikel gesteld, is voldaan, is een stichting in het leven geroepen." Art. 3, lid 5, Wet op stichtingen bepaalt: "Mocht een stichting leden kennen, mocht haar vermogen ten enenmale onvoldoende zijn voor de verwezenlijking van haar doel en de mogelijkheid, dat een voldoende vermogen door bijdrage of op andere wijze in afzienbare tijd zal worden verkregen, in mate onwaarschijnlijk zijn, of mocht zij een met artikel 1, lid 3, strijdig doel hebben, dan blijft zij desniettemin als stichting bestaan totdat zij door een rechterlijke uitspraak of uit anderen hoofde is ontbonden."
Artikel 1, 2e al.): "De stichting wordt als een door een rechtshandeling in het leven te roepen rechtspersoon gekwalificeerd, om duidelijk tot uitdrukking te brengen, dat de handeling van oprichting der stichting - welke door één of meer personen kan worden verricht - is een eenzijdige, als zodanig niet-obligatoire handeling."; (blz. 9, linkerkolom, 2e al.) "De uiterste wil of de handeling onder de levenden, die .. artikel (3) voor het bestaan van een stichting vereist, moet uit de aard der zaak een geldige handeling zijn. Geen rechtspersoon zal dus ontstaan, wanneer de handeling door een onbekwame wordt verricht, door bedrog of dwang is tot stand gekomen". Tijdens de mondelinge behandeling zei Minister Donker (Handelingen, 1955-1956, blz. 2115, linkerkolom, 6e en 7e al.): "In overeenstemming met de eisen van het rechtsverkeer is het systeem zo opgezet, dat een in het leven geroepen stichting slechts bij uitzondering nietig is. Dit is het geval, als niet aan de in artikel 3 genoemde Pro formele
het nieuwe boek 2 van het Burgerlijk Wetboekis er weinig gewijzigd ten opzichte van de voorafgaande periode. Thans kan met nog meer zekerheid worden gesteld, dat een stichting tot stand komt, indien zij slechts aan de in de wet gestelde formele eisen voldoet, en dat daartoe afzondering van vermogen niet vereist is. Onder bepaalde omstandigheden kan zij ontbindbaar zijn, maar zolang de ontbinding niet is uitgesproken, bestaat zij rechtsgeldig (zie art. 290 boek Pro 2 B.W .; Asser-Van der Grinten II (De rechtspersoon) , 4e druk, 1976, blzz. 273 e. v.).
onderhavige gevalbetreft gebeurtenissen in het jaar 1973 en wordt derhalve nog beheerst door de Wet op stichtingen en niet door het nieuwe boek 2 B.W.
primair, dat het vermogen van de stichting voor de heffing van de inkomstenbelasting aangemerkt moet worden als vermogen van de belanghebbende. Het aanvaardt daartoe implicite en overeenkomstig 's Hofs uitspraak ("omtrent het geschil", blz. 14), "dat de lijfrente-premies ... het vermogen van belanghebbende hebben verlaten", maar houdt staande, dat deze civielrechtelijke constatering fiscaalrechtelijk niet gevolgd behoort te worden. Het leest dit onderscheid in de rechtsoverwegingen van H.R. 4 april 1973, BNB 1974/20, blz. 81, regels 20-27.