Conclusie
1.Appellant is als vertegenwoordiger in dienst van [eiseres] sinds januari 1970, tegen een bruto-salaris van f 1.250,-- per maand;
onderdeel IIvan het middel kan ik, dunkt me, verder kort zijn. Anders dan
onder 1wordt betoogd heeft de rechtbank niet nagelaten te onderzoeken of de door [eiseres] aangevoerde omstandigheden in hun onderlinge samenhang een dringende reden voor het ontslag op staande voet vormden of konden vormen. De onder 1a en 1b bedoelde omstandigheden heeft de rechtbank geenszins buiten beschouwing gelaten of irrelevant geoordeeld, zoals in de
sub-onderdelen 2 en 3wordt aangevoerd. Wat de klacht
onder 4betreft, de rechtbank heeft wel rekening gehouden met het gedrag van [verweerder] tijdens het bewuste gesprek, zoals door [eiseres] omschreven. De innerlijke tegenstrijdigheid die de slotkracht meent te kunnen signaleren, is niet aanwezig, nu de rechtbank de uitlating ‘’barst kerel’’ niet afzonderlijk, d.w.z. geheel losgemaakt van de voorafgaande gedragingen van [verweerder] tijdens het bewuste gesprek en daarvoor, heeft getoetst, maar in samenhang daarmee. Ook de klachten
onder 5 en 6miskennen dat de rechtbank met alle gedragingen van [verweerder] heeft rekening gehouden zoals door mij reeds betoogd.
beslistpunt kan niet in appel in andere zin worden beslist wanneer de in eerste aanleg gegeven beslissing in hoger beroep door geen der partijen is aangetast.
onderdeel Vdaarom voor gegrond. Na (gedeeltelijke) vernietiging van het vonnis van 22 februari 1978 zal de Hoge Raad, dunkt me, ten principale kunnen beslissen. Gezien het betrekkelijk geringe belang van onderdeel V is [eiseres] als de in cassatie voor het grootste gedeelte in het ongelijk gestelde partij te beschouwen.