Conclusie
Het begrip ondernemer, 2e al.) "Het leerstuk van de zgn. fiscale eenheid zal ... veel aan belang inboeten. Kan onder een cumulatief cascadestelsel het als een eenheid aanmerken van verschillende personen tot een lagere belastingdruk leiden, onder een BTW zal de uiteindelijke belastingdruk doorgaans gelijk blijven, ongeacht of sprake is van een fiscale eenheid of niet. Onder die omstandigheden kan worden verwacht, dat de fiscale eenheid in hoofdzaak nog betekenis zal hebben in het administratieve vlak." Zie voorts Memorie van antwoord, nr. 6, blz. 62, linkerkolom, laatste al., - rechterkolom, 1e al.: "hoewel in een enkel geval, zoals bij vrijgestelde ondernemers, ook nog wel materiële gevolgen kunnen intreden".
omtrent het geschil", blz. 6, beslist, "dat belanghebbende in het jaar 1971 [A] in financieel, organisatorisch en economisch opzicht zodanig beheerste, dat belanghebbende en [A] in dat jaar tezamen als één ondernemer in de zin van artikel 7, lid 1, van de Wet moesten worden aangemerkt", nadat zij zulks (blz. 5 v.) met betrekking tot elk van de genoemde opzichten afzonderlijk had gemotiveerd.
organisatorischopzicht geheel door belanghebbende werd beheerst, wordt door de Tariefcommissie onder meer gemotiveerd als volgt (blz. 5):
omtrent het geschil", blz. 6; cursivering van mij, v.S.): "In
economischopzicht bestond voor [A] geen ruimte voor handelen naar eigen inzicht. [A] en belanghebbende waren gericht op dezelfde markt en in 1971 werd ongeveer 87% van de omzet van [A] verkregen uit transacties met belanghebbende en met [B] [A] en de twee genoemde afnemers vervulden dus in elk geval in het jaar 1971 ten opzichte van elkaar een complementaire functie."
subsidiairestelling van de Inspecteur, te weten dat de belanghebbende het onderhavige belastingbedrag verschuldigd is op de voet van art. 29, lid 2, O.B. ’68. Dit onderzoek zal mede van feitelijke aard zijn.
concludeerik tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot verwijzing van het geding naar het Gerechtshof te ’s-Gravenhage.