Uitspraak
[X] B.V .te
[Z]tegen de uitspraak van de
Tariefcommissievan 1 februari 1977 betreffende de aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting voor het tijdvak 1969 tot en met 1971;
Hoge Raad
Belanghebbende, een besloten vennootschap, kreeg een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd omdat de inspecteur meende dat tussen belanghebbende en NV A een fiscale eenheid bestond. Belanghebbende bracht de door NV A in rekening gebrachte omzetbelasting als voorbelasting in aftrek, wat door de inspecteur werd betwist.
De Tariefcommissie bevestigde de naheffingsaanslag en oordeelde dat belanghebbende en NV A in financieel, organisatorisch en economisch opzicht zo nauw verbonden waren dat zij als één ondernemer moesten worden beschouwd. Belanghebbende voerde cassatie aan en betwistte dat sprake was van een fiscale eenheid, stellende dat de feitelijke zelfstandigheid en de marktpositie van NV A dit uitsluiten.
De Hoge Raad overweegt dat het begrip ondernemer in de Wet op de omzetbelasting 1968 ook een combinatie van juridisch zelfstandige maar financieel, economisch en organisatorisch verbonden personen kan omvatten, conform de wetsgeschiedenis. Echter, met ingang van 1 januari 1972 geldt ook de Tweede richtlijn van de Europese Economische Gemeenschap, die een dergelijke regeling mogelijk maakt mits de Lid-Staat de vereiste raadpleging heeft gehouden.
De Hoge Raad legt daarom prejudiciële vragen voor aan het Hof van Justitie over de uitleg van het begrip ondernemer en de fiscale eenheid in het kader van de Europese regelgeving en schorst de procedure totdat het Hof uitspraak doet.
Uitkomst: De Hoge Raad schorst de procedure en legt prejudiciële vragen voor aan het Hof van Justitie over de uitleg van het begrip ondernemer en fiscale eenheid in de omzetbelasting.