Conclusie
[verzoeker 1]
[verzoeker 2]
[verzoeker 3]
eerste middelzal naar mijn mening niet tot cassatie kunnen leiden, omdat het, zoals verweerster terecht stelt, berust op een onjuiste opvatting omtrent de betekenis van de termijn van vijf jaar in art. 413 lid 2 sub Pro a B.W.: de in het middel bedoelde termijn is de termijn die moet zijn verstreken sedert de dag van de laatste tijding van de vermiste, voordat de procedure bedoeld in lid 1 van genoemd artikel kan worden begonnen. Ten onrechte stelt het middel derhalve dat het Hof slechts een tijdsruimte van 5 jaar had mogen nemen voor de vaststelling van het rechtsvermoeden van overlijden.
middelen IV en Vfalen naar mijn mening, in de eerste plaats omdat zij opkomen tegen een oordeel van het Hof van feitelijke aard. Het Hof heeft kennelijk waarde gehecht aan de mededelingen van [verweerder]. Waar de geloofwaardigheid van die mededelingen geheel ter beoordeling stond van het Hof, komen deze middelen tevergeefs tegen dat feitelijk oordeel op. Het Hof was niet verplicht de verklaring van [verweerder] verder te toetsen aan bewijsstukken of verklaringen van getuigen. Middel IV gaat voorts uit van een onjuiste opvatting van art. 414 lid Pro 3 B.W. In casu was er immers voldaan aan de eis van dat voorschrift dat op de derde oproeping niemand is verschenen die behoorlijk van het in leven zijn van de vermiste deed blijken. De mededelingen van [verweerder] waren alleen van belang voor de vaststelling van het vermoedelijke tijdstip van overlijden. Het Hof moest dus verklaren dat er rechtsvermoeden van overlijden bestond. Het heeft het genoemde voorschrift dus niet geschonden.