Conclusie
na1 januari van enig jaar gegeven rechterlijke uitspraak vastgesteld maandelijks bedrag aan levensonderhoud, ingaande op een
voor1 januari vallend tijdstip, met ingang van die datum van 1 januari ingevolge art. 402a Boek 1 BW van rechtswege gewijzigd?
voor1 januari, waarin een bijdrage een levensonderhoud werd vastgesteld, die
na1 januari inging. Uw Raad besliste toen, dat indien tussen de uitspraak van de rechter en het tijdstip waarop de uitkering ingaat de datum van 1 januari verstrijkt, de wijziging van rechtswege van toepassing is, uiteraard behoudens de bevoegdheid van de rechter om in zijn vonnis anders te bepalen.
over het nieuwe jaar. Zoals Uw Raad ook heeft beslist in H.R. 19 nov. 1976, NJ 1977, 497. Een andere opvatting zou in strijd komen met het rechtskarakter van de alimentatieuitkering ten behoeve waarvan de wetgever zich heeft bediend van een valoristisch systeem. De onderhoudsaanspraak geeft dus recht op levensonderhoud -- en nu citeer ik het eerdergenoemde preadvies, Hfdst. IV, par. 8 -- " dat wil zeggen, voorzover voldoening aan de daarmee corresponderende verplichting niet in natura plaatsvindt op de waarde, die hoeveelheid koopkracht die de alimentatiegerechtigde blijvend in staat stelt uit de eenmaal toegekende uitkering en overeenkomstig het daarmee nagestreefde doel in zijn levensonderhoud te voorzien. Daarmee is tevens gezegd dat de aanpassing aan de geldontwaarding met toekenning van de uitkering gegeven is, daarin van meet af aan zit ingeweven. " Men vergelijke ook de aanhaling in dit preadvies, Hfdst. IV, par. 8, o.m. nt. 89 van S. Simitis, Inflationsbewältigung im Zivil- und Arbeitsrecht (General-referat), in Kötz/Reichert-Facilides, p. 49 e.v. Voor de wetshistorische basis, die aan dit standpunt in Nederland ten grondslag ligt verwijs ik naar de M.v.A. bij het wetsontwerp, dat leidde tot de Wet van 6 juli 1972, S. 390, en naar hetgeen de Min. van Justitie heeft betoogd naar aanleiding van een amendement Haas-Berger. Beide relevante passages zijn integraal weergegeven in de conclusie van mijn ambtgenoot Van Soest bij H.R. 19 nov. 1976; men zie NJ 1977, p. 1652 linker- en rechterkolom.
subonderdeel b, dat zich tegen de derde rechtsoverweging van 's Hofs arrest richt. Afgaande op de gegevens in de op 11 januari 1978 uitgesproken beschikking na het verhoor van partijen in december 1977 kon het Hof in zijn arrest (gewezen door dezelfde kamer van het Hof met dezelfde kamervoorzitter) zonder aanvulling van feitelijke gronden en zonder te treden buiten de grenzen die partijen aan hun rechtsstrijd hadden gegeven, overwegen dat uit de beschikking niet blijkt dat bij de bepaling van de uitkering rekening is gehouden met de gegevens geldend voor 1978, welke gegevens trouwens - aldus overweegt het Hof ten overvloede - het Hof nog niet bekend waren.
subonderdeel c, dat met een motiveringsklacht opkomt tegen de hiervoor genoemde overweging ten overvloede. Deze overweging is begrijpelijk, mede gezien in verband met de vastgestelde feiten nopens de levensomstandigheden van partijen aan de hand van de gegevens die het Hof ten dienste stonden bij de mondelinge behandeling van de zaak in december 1977, waarna de behandeling is gesloten.