ECLI:NL:PHR:1980:AC6859
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid van onder curatele gestelde tot het instellen van echtscheidingsvordering
De vrouw, onder curatele gesteld wegens zwakheid van vermogens en gehuwd met haar curator, wilde van hem scheiden. De rechtbank verklaarde haar verzoek tot opheffing van de samenwoning niet-ontvankelijk, wat door het hof werd bekrachtigd op grond van art. 381 lid 2 BW Pro dat stelt dat onder curatele gestelden onbekwaam zijn rechtshandelingen te verrichten.
De vrouw stelde dat deze uitleg onrechtvaardig is omdat zij wel mocht trouwen maar niet scheiden, en pleitte voor een beperkter uitleg van art. 381 lid 2 BW Pro zodat personen die vóór 1970 onder curatele zijn gesteld, wel zelf een echtscheidingsvordering kunnen instellen. Zij verwees naar wetsgeschiedenis en literatuur die dit ondersteunden.
De man betwistte dit niet inhoudelijk, maar wees op de wettelijke situatie sinds 1970. De Procureur-Generaal stelde dat het hof art. 381 lid 2 BW Pro te strikt had uitgelegd en dat het mogelijk is onder curatele gestelden de bevoegdheid toe te kennen om zelf een echtscheidingsvordering in te stellen, zonder dat daarvoor bijzondere voorwaarden zoals toestemming van de kantonrechter of vertegenwoordiging door de curator nodig zijn.
De Hoge Raad vernietigde de beschikking van het hof en de rechtbank en verwees de zaak terug voor verdere behandeling, waarbij partijen kosteloos mogen procederen. Dit arrest benadrukt dat de wetgever niet expliciet de bevoegdheid tot het instellen van echtscheiding door onder curatele gestelden heeft willen beperken en dat de wet ruim moet worden uitgelegd in het belang van de bescherming van de onder curatele gestelde zelf.
Uitkomst: De Hoge Raad oordeelt dat onder curatele gestelden bevoegd zijn zelf een echtscheidingsvordering in te stellen en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling.