Uitspraak
Req.nr. 5351
vD
De Rechtbank grondde haar beslissing op de overweging, dat de vrouw, die bij vonnis van de Rechtbank te Zutphen van 3 oktober 1929 wegens zwakheid van vermogens onder curatele is gesteld, derhalve thans onbekwaam is – ook in familierechtelijke aangelegenheden – rechtshandelingen te verrichten en zij generlei machtiging hiertoe heeft verkregen.
In haar beroepschrift verzoekt de vrouw aan het Hof, de beschikking van de Rechtbank te Zutphen van 2 juli 1979 te vernietigen en, opnieuw recht doende, bij beschikking voor de duur van het geding partijen te ontslaan van de verplichting tot samenwoning. De vrouw heeft aangevoerd, dat zij als eisende partij zonder bijstand van haar curator kan optreden in een echtscheidingsprocedure omdat zij wegens zwakheid van vermogens onder curatele is gesteld en vóór de invoering van de wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek op 1 januari 1970 volgens jurisprudentie-recht – met name H.R. 13 juni 1952 N.J. 1952, 489 -, deze categorie van onder curatele gestelden zonder bijstand van de curator kon en moest optreden als eisende partij in een echtscheidingsprocedure. Nà die invoering – waarbij het in het tot dan toe geldende recht gemaakte onderscheid tussen krankzinnigheid en zwakheid van vermogens als grond voor onder curatelestelling is komen te vervallen en daarvoor in de plaats als grond wordt genoemd: een geestelijke stoornis, waardoor de gestoorde, al dan niet met tussenpozen, niet in staat is of bemoeilijkt wordt zijn belangen behoorlijk waar te nemen – kan niet aan alle wegens een geestelijke stoornis onder curatele gestelden het recht om eisende in een echtscheidingsprocedure op te treden worden ontzegd, aldus de vrouw.
Met name zou de eerder genoemde categorie, waartoe zij behoort, dit recht hebben behouden.
Het Hof verwerpt vorenomschreven betoog van de vrouw.
Immers artikel 20 lid 1 van Pro de overgangsbepalingen voor het nieuwe Burgerlijk Wetboek (hoofdstuk 5 van de Invoeringswet Boek 1 van het nieuwe Burgerlijk Wetboek van 3 april 1969, S. 167) houdt in, dat de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek omtrent de handelingsonbekwaamheid van onder curatele gestelden, zoals deze bepalingen op het tijdstip van inwerkingtreden van die wet komen te luiden, op de rechtshandelingen die onder curatele gestelden na dat tijdstip verrichten van toepassing zijn, ook al is hun ondercuratelestelling uitgesproken met toepassing van het vóór dat tijdstip geldende recht. Derhalve is artikel 381 lid 2 van Pro Boek 1 (nieuw) van het Burgerlijk Wetboek, inhoudend, dat de onder curatele gestelde onbekwaam is rechtshandelingen te verrichten, hier van toepassing, zodat de vrouw in ieder geval niet zelf en zonder meer bekwaam kan worden geacht om als eiseres in een echtscheidingsprocedure op te treden. De Rechtbank heeft de vrouw dus terecht niet ontvankelijk verklaard in haar verzoek.";
"Schending van het recht en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-inachtneming nietigheid meebrengt, doordat het Hof de beschikking van de Rechtbank te Zutphen, waarbij de vrouw in verband met de curatele, waaronder zij is gesteld, in haar verzoek tot opheffing van de plicht om samen te wonen met de man niet ontvankelijk is verklaard, heeft bekrachtigd, na daartoe onder meer te hebben overwogen:
1. Door in casu artikel 381 lid 2 van Pro Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing te achten en de vrouw daarom in ieder geval niet bekwaam te oordelen zelf in rechte op te treden, miskent het Hof enerzijds, dat een vordering tot echtscheiding (en ook een verzoek tot opheffing van de samenwoningsplicht in het kader van een echtscheidingsprocedure) van een zo hoogst persoonlijk karakter zijn, dat – nu een uitdrukkelijke en bijzondere wettelijke regeling ontbreekt, waarbij de bevoegdheid tot vertegenwoordiging door een derde is geregeld – optreden in rechte door een vertegenwoordiger niet mogelijk is, en anderzijds dat rechtens onaanvaardbaar is, dat een persoon, die wegens geestesstoornis onder curatele staat en gehuwd is, niet de mogelijkheid heeft om echtscheiding te vorderen, althans dat personen, die onder het vóór 1 januari 1970 geldende recht wegens zwakheid van vermogens onder curatele zijn gesteld en toen bekwaam waren om zelf als eisende of verwerende partij in een echtscheidingsprocedure op te treden, geacht moeten worden die bekwaamheid ook thans nog te hebben.
2. Het Hof geeft met de woorden "zonder meer" in hoger weergegeven overweging onvoldoende inzicht in de door het Hof gevolgde gedachtengang, aangezien onduidelijk blijft waarop het Hof met die woorden het oog heeft gehad.";
1. Blijkens 's Hofs arrest is de vrouw bij vonnis van de Rechtbank te Zutphen van 3 oktober 1929 wegens zwakheid van vermogens onder curatele gesteld. Het gaat hier dus om een curatele die is uitgesproken met toepassing van het recht dat gold vóór het tijdstip waarop Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek in werking is getreden (1 januari 1970). Onder dat recht – ook aan te duiden als ‶het oude recht″ - kon zij zelf een vordering tot echtscheiding instellen. Het middel stelt de vraag aan de orde of zij dit nog kan sedert Boek 1 in werking is getreden.
Verwijst de zaak naar dat Hof ter verdere behandeling en beslissing met inachtneming van deze uitspraak;
Compenseert de kosten van het geding in cassatie, aldus dat iedere partij haar eigen kosten draagt;
Verleent de vrouw vergunning om in cassatie kosteloos te procederen;
Verstaat dat de man in cassatie kosteloos procedeert krachtens de vergunning om kosteloos te procederen, hem verleend door de Arrondissementsrechtbank te Zutphen bij beschikking van 19 juli 1979
Gedaan en gewezen te 's-Gravenhage de achtentwintigste maart 1900 tachtig door Mrs. Ras, Vice-President, Drion, Snijders, Haardt en Martens, Raden, in tegenwoordigheid van de Griffier.