Conclusie
een goed huisvaderen overeenkomstig zijn bestemming te gebruiken. Men zie hierover Kamphuisen, “De huurder als goed huisvader”, N.J.B. 1960, p. 909–913 met critiek op het arrest. Vgl. ook Kluwers losbladige “Huurwet”, aant. 8 en 8a bij art. 18.
in twee onderdelen uiteenvallend cassatiemiddel.
p. 5085 r.k. en
p. 5135 r.k., Handelingen II, 23 mei 1979.
in de verhouding van partijenernstiger gedraging zijn, maar weer niet zo ernstig dat dit ook een vordering tot ontbinding op grond van wanprestatie zou rechtvaardigen. Dit volgt uit de wetsgeschiedenis van de Wet 15 juni 1972, S. 305. Men zie het reeds eerder genoemde arrest van Uw Raad, H.R. 4 juli 1978, N.J. 1978, no. 645, met gegevens in de conclusie.
zelfstandigebetekenis zou hebben. Zoals gezegd heeft die rechtspraak dit slechts indirect in voormeld verband.
onderdeel 2betreft, komt daarbij dat tegen rechtsoordelen niet met motiveringsklachten kan worden opgekomen. Vgl. onder meer H.R. 27 april 1979, N.J. 1980, no.351 (E.A.A.L.), laatste overweging.