Conclusie
Onderdeel Ibevat, na een inleidend gedeelte, onder A een klacht over de r.o. 6, 7 en 8, waarin het Hof de appèlgrieven 2 en 3 behandelt en verwerpt. De klacht houdt in, dat het Hof heeft miskend dat niet kan worden volstaan met een ''zuiver taalkundige'' uitleg van de overeenkomst d.d. 2 (3?) februari 1976 (prod. bij antwoord/eis in prima van [eiser 1] ), maar aan de hand van juridische maatstaven had moeten onderzoeken of die overeenkomst een leemte bevatte.
eerderefase een rol spelen, nl, als bijkomende omstandigheid die in aanmerking kan komen bij de beantwoording van de vraag of de bewoordingen ''duidelijk'' zijn. Anders gezegd: voor het duidelijk zijn is niet uitsluitend beslissend de taalkundige betekenis der woorden. Voor zover het onderdeel deze stelling bevat, schijnt het juist; zie Asser-Rutten 4-II (1979) p. 208 e.v. In de onderhavige zaak echter hebben partijen zodanige bijkomende omstandigheden - zoals onderhandelingen, correspondentie enz. - waaruit een afwijkende partijbedoeling te distilleren is, niet gesteld. Er is uitsluitend geargumenteerd op basis van de schriftelijke tekst van de overeenkomst; de bedoeling van partijen is niet in een andere vorm dan die van de schriftelijke overeenkomst geuit. Welnu, bij deze stand van zaken kon het Hof zonder een eventuele andersluidende partijbedoeling in aanmerking te nemen komen tot het oordeel dat de overeenkomst, gelet op de taalkundige betekenis van de gebezigde woorden, ''duidelijk'' was in de zin van art. 1378, d.w.z. niet ''voor onderscheiden uitleggingen'' vatbaar (zie art. 1379). Het oordeel dat bewoordingen ''duidelijk'' zijn in de hier bedoelde betekenis, is feitelijk van aard en is in cassatie slechts met een motiveringsklacht met enige kans van slagen aan te tasten. Vergelijke Veegens, ''Cassatie'' (1971) no. 108.
kontoekomen.
Onderdeel I - Bbevat een motiveringsklacht tegen r.o. 6. Nu de Rechtbank in r.o. 18 van haar vonnis (weergegeven op p. 7 grosse arrest Hof) een leemte in de overeenkomst had geconstateerd, aldus de onderhavige klacht, is r.o. 6 van 's Hofs arrest onbegrijpelijk en innerlijk tegenstrijdig nu daarin ''ter illustratie van de duidelijkheid van de overeenkomst'' ''een beroep'' wordt gedaan op de door de Rechtbank gegeven beslissing.
Onderdeel IIkeert zich tegen de verwerping door het Hof, in de r.o. 10 en 11, van appèlgrief 4, luidende (p. 8 grosse arrest): ''Ten onrechte heeft de Rechtbank vastgesteld, dat Haviltex retentierecht heeft uitgeoefend''.
dieoverweging van de rechtbank is gericht. Dat volgt trouwens al uit de bewoordingen van die vierde appèlgrief, die zich tegen een andere passage van r.o. 16 van het rechtbankvonnis keert.
onderdeel II - Adoel mist.
Onderdeel IIIschrijft aan het Hof de opvatting toe, dat ontbinding van een overeenkomst op grond van een annuleringsclausule de mogelijkheid uitsluit dat zekere bepalingen van de overeenkomst (in casu: de onderhavige ''winstvergoedingsclausule'') blijft gelden. Die opvatting - die in strijd is met HR 16 juni 1978, NJ 1978, 625 (G.J.S.) - heeft het Hof evenwel niet gekoesterd zodat het onderdeel feitelijke grondslag ontbeert.
istrouwens, als ik het goed zie, in cassatie niet aangevallen.
Onderdeel IVbestrijdt de verwerping door het Hof van appèlgrief 7, luidende: ''Ten onrechte heeft de Rechtbank geoordeeld, dat appellanten slechts zouden hebben gegist naar het voortgezet gebruik van de machine of de verhuur aan anderen''.
subonderdeel IV - C.
Onderdeel Vbestrijdt met een aantal klachten de r.o. 19 tot en met 25 waarin het Hof grief 8, waarin een beroep wordt gedaan op de goede trouw verwerpt.
subonderdeel V - Bhaakt in op HR 1 juli 1977, NJ 1978, 125 (G.J.S.). Daarin werd overwogen: ''dat het bovendien bij uitleg van een beding als het onderhavige in de eerste plaats aankomt op de zin welke de koper daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mocht toekennen en op hetgeen de verkoper te dien aanzien van de koper mocht verwachten''. Al aangenomen dat deze voor een geheel andere casus gegeven rechtsoverweging eveneens op de in dit geding bedoelde annuleringsclausule toepasselijk is, dan baat zulks m.i. [eisers] niet, evenmin als hun nadere stelling in dit subonderdeel dat niet alleen de taalkundige betekenis van de contracts-tekst maar - in de eerste plaats, althans mede - de goede trouw beslist over de gevolgen van een overeenkomst. Het leerstuk van de goede trouw in haar (al dan niet beperkende) werking ten aanzien van contractsinhoud en - uitlegging behoeft men geenszins te kort te doen wanneer men bij de toepassing van dat leerstuk een zekere ..... beperking, behoedzaamheid in acht neemt. Het gaat niet aan met een simpel beroep op de goede trouw uit de op zichzelf duidelijke tekst een overeenkomst weg te vluchten. Het beroep op de goede trouw, wil het kans van slagen hebben, moet onderbouwd zijn met specifieke stellingen van feitelijke aard. Welnu, zoals het Hof heeft vastgesteld is er in de onderhavige zaak nagenoeg geen ander feitenmateriaal naar voren gebracht dan de schriftelijke overeenkomst. Het is vrijwel uitsluitend op basis daarvan dat partijen hun debat hebben gevoerd, ieder voor zich de redelijkheid van het eigen standpunt verdedigend. Onder deze omstandigheden lag het voor de hand dat de feitenrechters een doorslaggevend gewicht hebben toegekend aan de tekst van de overeenkomst en op basis daarvan tot de thans in cassatie bestreden uitlegging, die zeker niet onredelijk of onbillijk is, hebben kunnen komen. Voor een goede trouwescape, die niet berust op feitelijke indicaties van externe aard - in de zin van: buiten de contracts-tekst gelegen - is dan geen ruimte meer. Ook het verwachtingspatroon van partijen, in de geciteerde door HR 1 juli 1977, NJ 1978, 125 bedoelde zin, is voor de rechter in de onderhavige zaak niet kenbaar buiten de contracts-tekst om. Het is te destilleren uit de door het Hof aan de overeenkomst gegeven uitlegging zoals hiervoor, onder nr. 3 en nr. 7 , beschreven. Kort samengevat: partijen zijn met elkaar in zee gegaan op min of meer experimentele basis, in die zin dat ieder van hen gedurende het gehele jaar 1976 in beginsel desgewenst op elk willekeurig moment zonder opgave van redenen mocht afhaken, waarbij het recht op winstvergoeding van [eisers] in dat jaar alleen in stand zou blijven in geval van terugkoop door hen zelf en indien Haviltex geen beroep op de annuleringsclausule zou doen, en waarbij voorts Haviltex alle verlieskansen voor haar rekening heeft genomen.
subonderdeel V - Bdoel.
Subonderdeel V - Cdoet een beroep op door het Hof beweerdelijk verwaarloosde ''gezichtspunten''.
Onderdeel VImoet het lot van onderdeel III delen voor zover het daarop voortbouwt. Overigens komt het mij voor dat het onderdeel feitelijke grondslag mist. Het gaat er van uit dat de tiende appèlgrief klaagde over de afwijzing van de reconventionele vordering. Die grief, zoals kennelijk ook door het Hof opgevat, bevat echter geen materiële maar uitsluitend een motiveringsklacht tegen de afwijzing van de reconventionele vordering. Die motiveringsklacht is door het Hof in de r.o. 28 en 29 verworpen op gronden die, als ik het goed zie, in cassatie niet zijn bestreden.