Conclusie
b), eerste r.o. p. 8 (r.o. 5). Ik mag in dit stadium van het geding buiten beschouwing laten de in cassatie niet meer aan de orde gestelde, complicerende factor dat […] de grens vormt met Duitsland en als gevolg daarvan een regiem kent, dat met Duitse autoriteiten gedeeld wordt althans op afspraken met hen berust.
subonderdeel a van onderdeel 1 van middel I(eerste ''omdat'' na ''Zulks ten onrechte'' op p. 3 dagv.) grondslag in de procedure mist. Een klacht vermag ik in de vaststelling van dit subonderdeel, welke ter voorbereiding van de volgende subonderdelen dient, niet te onderkennen.
subonderdeel b(cumulatief voorgedragen, opvolgend ''en omdat'' op genoemde p. 3 dagv.) uit het Reglement van het Waterschap, geldende in 1972.
ageheel georiënteerd zijn op de doelomschrijving van het Waterschap in het Reglement en tot inzet hebben dat het Hof deze doelomschrijving onjuist zou hebben uitgelegd, brengt dit mee dat
onderdeel 1en daarmee het daarop voortbordurende
onderdeel 2 van middel Igrondslag in de bestreden arresten en de stukken van het geding ontberen en reeds daarom zullen falen.
Onderdeel 3houdt geen zelfstandige klacht in en is overigens te onbepaald om als middel van cassatie te kunnen dienen.
ben
c) voorop, dat het door het Waterschap op zich genomen onderhoud van onder meer […] inhield — in r.o. 5
enoemt het Hof dit ''juiste naleving van voormelde rechtsplicht'' —, dat het Waterschap dan ook die sloot schoon hield en wel op zodanige wijze dat voldoende afvoer verzekerd zou zijn. Het Hof zegt daarbij ''te allen tijde'', waarmee het Hof kennelijk bedoelt dat behoorlijk onderhoud meer vergt dan dat periodiek voldoende afvoer gewaarborgd is. Het schoonhouden moet zo geschieden dat de afvoer doorlopend voldoende is, althans — zo zal men, gezien de door het Hof in r.o. 5
eaanvaarde uitzonderingen, mogen begrijpen — naar menselijke berekening. In die zin is ook te begrijpen de in r.o. 5
dmet ''zodra'' ingeleide bijzin waarvan de aansprakelijkheid van het Waterschap afhangt, nu dit ''zodra'' bepaald en op gelijke wijze gerelativeerd wordt door het al dan niet ''tijdige'' van het schonen van de sloot, waardoor de afvoer niet ''normaal'' — uiteraard in voormelde zin — kan plaatsvinden. Dat een door het Waterschap gevolgd systeem in het algemeen voldoet, is dan niet voldoende verweer. Men zal b.v. met de bekende omstandigheden in het terrein rekening moeten houden, zoals de lage ligging van het land van [verweerder] .
subonderdeel c van onderdeel 1 van middel I(tweede ''en omdat'', p. 5, regel 6 dagv.), namelijk aansprakelijkheid voor schade door niet-afvloeiend water ''altijd en onder alle omstandigheden — behoudens .....'' een enkele in de richting van ''overmacht'' gaande uitzondering, legt op de hiervoor besproken termen ''te allen tijde'' en ''zodra'' een klemtoon en geeft daaraan een betekenis, die aan de relativeringen die in het arrest besloten liggen, geen recht doen en de strekking daarvan onjuist weergeven.
tijdig(ik cursiveer; t.K.) was geschoond''.
middel I(met name de onderdelen 1 en 2) ook daarom feitelijke grondslag. Voor zover het tegen het tussenarrest is gericht mist het ook belang, nu in het eindarrest blijkens het voorgaande kennelijk van een mildere norm als vorenomschreven werd uitgegaan.
onderdeel 1wordt allereerst geklaagd, dat onbegrijpelijk is de zelfs eenmaal herhaalde, feitelijke vaststelling van het Hof dat de regenval in mei 1972 ''over het gehele jaar genomen'' niet uitzonderlijk groot was.
de subsidiaire klacht aan het slot van onderdeel 1 van middel IIniet vervuld is, zodat die klacht niet meer aan de orde komt.
b; Star Busmann-Rutten-Ariëns (1972), no. 284, p. 259; Stein, ''Compendium van het burgerlijk procesrecht'' (1977), p. 133, 134; Hugenholtz-Heemskerk (1979), nr. 129, p. 138; Asser-Anema-Verdam (1953), p. 492 e.v.; Ontwerp Bewijsrecht, art. 215 met Pro M.v.T. (Zitting 1969–1970–10.377, stuk nr. 3, p. 20 l.k.) en V.V. (stuk nr. 6), p. 12.
onderdeel 2 van het middel IImist doel reeds wegens het volgende. Een getuige kan zeer wel waarnemen, dat en in hoeverre de afvoer van water van een onder water staand land door de begroeiing van de sloot(kant) — en niet door iets anders — wordt en werd gehinderd. Daarop komt de bedoelde verklaring van de getuige [getuige] in feite neer.