Conclusie
niet ontvankelijkis in zijn cassatieberoep voorzover zich dit richt tegen 's Hofs arrest van 3 april 1979, nu geen der onderdelen van het middel, ook het derde niet, betrekking heeft op dit arrest.
Onderdeel Ivan het middel in het
principaal beroepricht zich m.i. vruchteloos met een motiveringsklacht tegen de door het Hof in ro’n 5 en 6 van het eindarrest aangenomen waardering van de aandelen [A] N.V.
onderdeel IIwordt naar het mij voorkomt tevergeefs opgeworpen. Het richt zich tegen de ro’n 7 t/m 10 van het eindarrest, waar het Hof zich bezighoudt met de waardebepaling van het pand Kanaaldijk te Helmond.
Onderdeel IIItreft m.i. geen doel.
Middel Iin het
incidenteel beroepstelt een belangwekkende kwestie aan de orde, namelijk de vraag of de pensioenrechten in de scheiding en deling kunnen worden betrokken. Het Hof heeft in ro. 21 beslist, dat dit recht zo nauw aan de persoon van de rechthebbende verbonden is, dat dit goed niet in de scheiding van de gemeenschapsboedel, zelfs niet bij wege van verrekening, kan worden betrokken. Daarmede heeft het Hof kennelijk aansluiting gezocht bij H.R. 7 okt. 1959, BNB 1959, 355 m.o. Schuttevaer (zie i.h.b. p. 923, 5). Het middel komt daartegen op met een klemmende formulering, die ruggesteun vindt in de opvatting van een aantal — hierna te melden — gezaghebbende schrijvers. Wanneer ik nochtans uiteindelijk tot de conclusie kom dat Uw Raad het middel zal dienen te verwerpen, dan is dat niet zozeer wegens mijn aarzeling of de pensioenrecht-materie heden ten dage maatschappelijk al zodanig is uitgekristalliseerd, dat Uw Raad daarin een beslissende wending kan nemen, als wel wegens de vergeleken met het belang van deze aangelegenheid triviale formele reden, dat deze kwestie niet behoort tot de aan de rechter voorgelegde zwarigheden.
obligatoirverdisconteerd, indien en voorzover het verdisconteerd
behoortte worden; in zoverre is pensioen als het ware obligatoir in de tweede macht. Zo zal het met name verschil kunnen maken hoe de gemeenschap ontbonden wordt en tussen wie moet worden afgerekend; het gaat immers om een vraag van behoren (…..)’’, aldus Lubbers, t.a.p., p. 555, rk.
Middel IIin het incidenteel beroep is aangevoerd onder de voorwaarde, dat onderdeel 1 van het middel van cassatie in het principaal beroep gegrond wordt bevonden. Aangezien dit niet het geval is, zal het niet ter behandeling behoeven te komen. Voor het geval Uw Raad daarover anders zou denken, zij het volgende gezegd. Het middel komt met een motiveringsklacht op tegen 's Hofs overweging in ro. 6 van het eindarrest, waarin het Hof het niet aannemelijk acht, dat de waarde van de aandelen [A] N.V. meer dan ƒ 254.000,- zou hebben bedragen. Het middel acht ro. 6 onvoldoende gemotiveerd gelet op door de vrouw in het geding gebrachte brieven van mr. Verleisdonk. Ik meen dat deze klacht vruchteloos wordt opgeworpen op grond van dezelfde argumenten, die ik heb gebezigd bij de behandeling van onderdeel 1 van het principale cassatiemiddel. 's Hofs feitelijke overweging behoefde m.i. geen nadere motivering, ook niet de eerder bedoelde brieven in aanmerking genomen. Het Hof was geheel vrij deze terzijde te laten.