ECLI:NL:PHR:1981:AG4294

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
11 december 1981
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
5837 req.nr
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7A:1623i lid 2 BWArt. 7:268 lid 2 BWArt. 7A:1623h lid 3 sub b BW
Verwijzingen
1 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voortzetting huurovereenkomst bij beëindiging duurzame gemeenschappelijke huishouding

In deze zaak verzocht de dochter om voortzetting van de huurovereenkomst die haar moeder met de verhuurder had, op grond van het bestaan van een duurzame gemeenschappelijke huishouding. De moeder was invalide en woonde in een aangepaste woning die de gemeente zou bouwen, waarin geen plaats was voor de dochter. De moeder overleed ruim een jaar na het intrekken van de dochter.

De rechtbank en het hof oordeelden dat er geen sprake was van een duurzame gemeenschappelijke huishouding omdat bij aanvang vaststond dat de samenwoning tijdelijk was, namelijk totdat de aangepaste woning gereed zou zijn. De dochter stelde in cassatie dat de feitelijke duur van ruim een jaar een duurzame huishouding impliceert.

De Hoge Raad verwierp dit middel. De Raad benadrukte dat het begrip 'duurzaam' inhoudt dat de huishouding niet van tijdelijke aard mag zijn. De wetgever heeft in een verwante bepaling een minimale duur van twee jaar voorgeschreven, en hoewel dit niet letterlijk geldt voor dit artikel, is een periode van ruim een jaar te kort om als duurzaam te kwalificeren. De Hoge Raad bevestigde dat de rechter een zekere beoordelingsvrijheid heeft, maar dat de feiten hier geen onjuiste rechtsopvatting opleveren.

De kosten werden gecompenseerd en de dochter kreeg verlof om kosteloos in cassatie te procederen.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de huurovereenkomst niet wordt voortgezet vanwege het ontbreken van een duurzame gemeenschappelijke huishouding.

Conclusie

eb
Nr. 5837
Request
Mr. Remmelink
Conclusie inzake:
[verzoekster]
Tegen
[de Gemeente]
Edelhoogachtbare Heren,
Deze zaak betreft het volgende: Verzoekster tot cassatie ( [verzoekster] ), sedert augustus of september 1979 ingetrokken bij haar moeder, die op 1 oktober 1980 is overleden, heeft aan de Kantonrechter ex art. 1623i lid 3 BW verzocht de tussen haar moeder en de verhuurster, [de Gemeente] , bestaand hebbende huurovereenkomst te mogen voortzetten, welk verzoek evenwel is afgewezen. In appel heeft de Rechtbank deze beschikking bekrachtigd. Tegen deze beslissing heeft [verzoekster] zich van beroep in cassatie voorzien, en in haar desbetreffend verzoekschrift één middel van cassatie voorgesteld, dat door de gemeente in haar verweerschrift is tegengesproken.
De (in verzoeksters voorstelling zwakke) plek in de beschikking waartegen het middel zich richt is de overweging van de Rechtbank, dat hier niet sprake was van een
duurzamegemeenschappelijke huishouding in de zin van voormeld artikellid. De Rechtbank heeft nl. gesteld, dat de gemeente aan de moeder die invalide was had toegezegd, dat zij voor haar, nog in 1979, een voor haar aangepaste woning zou laten bouwen, en dat [verzoekster] hiermee bekend was, toen zij bij haar moeder introk. Het hiertegen aangevoerde betoog in het cassatieverzoek komt wezenlijk hierop neer, dat de Rechtbank niettemin doorslaggevend had moeten achten het objectieve feit, dat verzoekster vanaf augustus of september 1979 tot 1 oktober 1980 een gemeenschappelijke huishouding met haar moeder heeft gehad, en dat zo'n situatie niet anders dan als duurzaam gequalificeerd kan worden.
Het komt mij voor, dat het middel faalt, aangezien de Rechtbank aan het begrip duurzame gemeenschappelijke huishouding geen onjuiste betekenis heeft gehecht, en evenmin gezegd kan worden haar beschikking in dit opzicht niet behoorlijk te hebben gemotiveerd, terwijl de in het middel ook nog vervatte stelling, dat moeder en dochter niet de "intentie" zouden hebben gehad slechts tijdelijk samen te wonen, afstuit op de feitelijke in cassatie niet met kans op succes aan te vechten vaststellingen van de Rechtbank dienaangaande. Ik moge mijn argumentatie t.a.v. de beide eerste punten als volgt samenvatten:
Allereerst zou ik willen wijzen op de gangbare, grammaticale, betekenis van de term "duurzaam", die in het onderhavige verband toch moeilijk iets anders kan betekenen dan dat de gemeenschappelijke huishouding niet van "tijdelijke" aard mag zijn. Vgl. ook M.v.A., Bijl.H. 2e K. 1978-1979, 12249, nr. 6, p. 10. Welnu, in casu stond van meet af vast, dat de samenwoning slechts zou duren totdat de aangepaste woning voor de moeder gereed was.
M.a.w. ook subjectieve factoren zijn te dezen relevant. In het verweerschrift wordt in verband hiermee terecht gewezen op het zg. proefhuwelijk-arrest (HR 11 Juni 1976 NJ 1976, no. 512). Ik geeft toe, dat er misschien situaties kunnen zijn, waarbij weliswaar reeds bij het begin het einde van een samenwoning vaststaat voor partijen, maar deze periode zo lang is, dat desondanks van duurzaamheid gesproken kan worden. Ik zou echter menen, dat een periode van ruim een jaar daarvoor in het algemeen nog te kort is, waartoe ik mij allereerst beroep op het gevaar, dat de strekking van deze bepaling anders danig zou kunnen worden uitgehold, en voorts op de omstandigheid, dat de wetgever in het verwante art. 1623h ("medehuurder worden” door een samenwoner die een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft met de huurder) minimaal een duur van twee jaar heeft voorgeschreven. Weliswaar is deze termijn in art. 1623i niet overgenomen, maar het is toch niet te verwaarlozen, dat in art. 1623h minimaal twee jaar geëist wordt, zodat een periode, die globaal genomen daarvan de helft is, toch zeker beschouwd kan worden als niet so wie so te lang om niet meer te kunnen harmoniëren met ”niet- duurzaam”. De rechter moet hier - dat is wel duidelijk, dunkt mij - een zekere speelruimte worden gelaten. Hij zal "van geval tot geval moeten beslissen”. Zie in deze zin ook Hartkamp c.s., Recht voor de huurder, 2e druk, 1981, p. 75.
Naast de zoëven genoemde grammaticale, functionele en systematische argumentatie zou ik mij nog willen beroepen op de wetsgeschiedenis, die bepaald geen grond geeft voor de stelling, dat een van meetaf als voor betrekkelijk korte tijd op te zetten gemeenschappelijke huishouding niettemin (na ruim een jaar) als "duurzaam” zou moeten worden gequalificeerd. Ook de verwijzing door verzoekster naar de M.v.T, bij de vroegere regeling van de Huurwet treft m.i. geen doel, want de M.v.T. sluit niet uit dat ook situaties als de onderhavige door zo'n regeling ten behoeve van de verhuurder "beschermd" kunnen worden.
Na nog opgemerkt te hebben, dat het zg. Petronella-arrest (HR 10 oktober 1980, NJ 1981, no. 132 met noot van Stein) waarop verzoekster ook nog een beroep doet voor de onderhavige kwestie van geen betekenis is (voor argumentatie verwijs Ik naar het verweerschrift van de gemeente) concludeer ik, dat Uw Raad, het middel niet aannemelijk achtend, het beroep zal verwerpen,
De kosten waren te compenseren, des dat iedere partij de hare drage. Aan [verzoekster] ware verlof te verlenen kosteloos in cassatie te procederen.
Parket, 2 november 1981
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,