Conclusie
duurzamegemeenschappelijke huishouding in de zin van voormeld artikellid. De Rechtbank heeft nl. gesteld, dat de gemeente aan de moeder die invalide was had toegezegd, dat zij voor haar, nog in 1979, een voor haar aangepaste woning zou laten bouwen, en dat [verzoekster] hiermee bekend was, toen zij bij haar moeder introk. Het hiertegen aangevoerde betoog in het cassatieverzoek komt wezenlijk hierop neer, dat de Rechtbank niettemin doorslaggevend had moeten achten het objectieve feit, dat verzoekster vanaf augustus of september 1979 tot 1 oktober 1980 een gemeenschappelijke huishouding met haar moeder heeft gehad, en dat zo'n situatie niet anders dan als duurzaam gequalificeerd kan worden.