Uitspraak
Req. nr. 5837
W.H.
f125,— aan verschotten en
f1.000, voor salaris;
Hoge Raad
De zaak betreft een verzoek van de dochter om de huurovereenkomst van haar overleden moeder voort te zetten op grond van artikel 7A:1623i lid 2 BW (thans art. 7:268 lid 2 BW Pro). De dochter had ruim een jaar bij haar moeder gewoond, maar de moeder leed aan multiple sclerose en er was een toezegging gedaan voor een aangepaste woning zonder ruimte voor de dochter.
De kantonrechter en de Arrondissementsrechtbank wezen het verzoek af omdat zij oordeelden dat er geen duurzame gemeenschappelijke huishouding bestond. De rechtbank baseerde dit op de wetenschap bij aanvang van de samenwoning dat de moeder binnenkort zou verhuizen naar een aangepaste woning.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en oordeelde dat de verwachting bij aanvang van de samenwoning over de duur daarvan doorslaggevend is. De wetgever wil voorkomen dat verhuurders geconfronteerd worden met nieuwe huurders die zich kort tevoren met het oog op voortzetting in de woning vestigen.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van de dochter en bevestigde dat de feitelijke samenwoning van ruim een jaar niet leidde tot voortzetting van de huurovereenkomst, mede omdat de intentie tot duurzame huishouding ontbrak vanwege de geplande verhuizing van de moeder.
De kosten van het beroep in cassatie werden aan de dochter opgelegd, maar zij kreeg toestemming om kosteloos te procederen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de huurovereenkomst niet wordt voortgezet wegens het ontbreken van een duurzame gemeenschappelijke huishouding.