Conclusie
Middel Ibetoogt dat de immuniteit van een gemeenteraadslid, vervat in de artikelen 53 en 64e Gemeentewet, zich ook uitstrekt tot het ter publicatie aan de pers overhandigen van stukken die aan de raad of een commissie van de raad zijn overgelegd, zulks mede gelet op de Wet Openbaarheid van bestuur.
buitende vergadering heeft gedaan, namelijk door tevoren afschriften van haar brief met bijlagen, bestemd voor de behandeling in de raadscommissie, aan de pers te verstrekken. Zoals boven vermeld (zie sub 4 en 5) is de immuniteit slechts een plaatselijke, te weten ter vergadering, en niet een persoonlijke; het dekt dus niet wat een vertegenwoordiger daarbuiten zegt of schrijft, aldus Buijs, a.w. p. 537, 538 en 546/7, en De Vos van Steenwijk, a.w. p. 113; anders echter W.C.K. Evertsen de Jonge in Themis 1854 p. 497 e.v. met name p. 507, die de immuniteit uitgebreid wil zien tot staatkundige misdrijven begaan door middel van geschriften, zelfs al staan deze in geen verband tot de betrekking van volksvertegenwoordiger. Alleen ‘’opruijing tot koningsmoord en verraad aan den buitenlandschen vijand’’ zou hij willen uitzonderen. Ook heden ten dage wordt er, in tweeërlei zin, gepleit voor verlegging van de grenzen van de onschendbaarheid: voor verruiming pleit P.A. van Vugt in Binnenlands Bestuur 20-11-1981, maar D.H. Elzinga acht in hetzelfde tijdschrift (17-12-1982) de ordemaatregelen, ter vergadering te nemen, bij gebreke van het strafrechtelijke instrumentarium niet in alle gevallen voldoende. In recente rechtspraak wordt geoordeeld dat de immuniteit slechts beperkt is tot uitingen ter vergadering gedaan, en zich niet uitstrekt tot uitlatingen aan de pers: evenmin tot een bezwaar, krachtens art. U14 van de Kieswet bij G.S. ingediend, zie resp. President Middelburg 7-9-1979 NJ 1980, 238, Rechtbank Middelburg 17-9-1980 NJ 1981, 373 en Hof Arnhem 15-12-1980 NJ 1981, 519. Gelet op geschiedenis en strekking van het begrip onschendbaarheid meen ik dat het Hof eiseres terecht aansprakelijk heeft geacht voor het beschikbaar stellen van de litigieuze brief met bijlagen aan de pers.
middel II sub aberoept eiseres er zich op dat zij niet in strijd met de in het maatschappelijk verkeer betamende zorgvuldigheid heeft gehandeld, aangezien de door haar geuite vermoedens blijkens een rapport van een onderzoekscommissie van de Ministeries van Justitie en C.R.M. waar zouden zijn gebleken.
Middel II sub bbetoogt dat eiseres in het algemeen belang handelde door de stukken ter publicatie aan de journalisten ter hand te stellen; het betrof immers een openbaar stuk en het behoorde tot haar taak aan die openbaarheid mee te werken.
Middel IIIstelt aan de orde de vraag of er wel voldoende causaal verband is tussen het toezenden van de stukken aan de pers, en de door verweerder gestelde schade, welke schade -anders dan de raadsman van eiseres aangeeft — niet bestond in het ontvangen van dreig- en scheldbrieven e.d., maar in de omstandigheid dat ‘’de financiële integriteit van appellant bij het door die bladen bestreken publiek verdacht wordt gemaakt’’ (zie 's Hofs arrest p. 4/5), dat wil dus zeggen: aantasting van zijn eer en goede naam.