Conclusie
onderdeel 1wordt gesteld, om de tweeledige vraag of de burgemeester zelfstandig bevoegd, en verplicht, was overeenkomstig de vordering op te treden tegen de krakers van het pand en Prins en Chidda Vastgoed B.V. nadien te beschermen, en, zo ja, of de rechter in kort geding de burgemeester dan een bevel van deze strekking kan en mag geven.
in more— art. 2 ontwerp Pro-Langemeijer komt in hoofdstuk II niet voor. De eerder aangehaalde M.v.T. zegt dat is afgezien van een nadere omschrijving (regeling) van de bevoegdheden. Mag men hier de volle nadruk leggen op het woord ''nadere'' en aanvaarden dat een taakomschrijving een omschrijving van bevoegdheden includeert — zonder (wettelijke) bevoegdheden geen (wettelijke) taak?
onderdeel 2van het middel. Maar mijn mening kan dat onderdeel niet tot cassatie leiden.
zelfstandigewettelijke grondslag van die bevoegdheid valt aan te wijzen (zoals m.i. uit de reeds geciteerde M.v.T. en uit andere parlementaire stukken zoals de Hand. II d.d. 28 maart 1957, p. 2445 links, M.v.A. I nr. 118a p. 7 links, uit HR 24 oktober 1961, NJ 1962, 86 m.nt. B.V.A.R., AA maart 1963, p. 118 e.v., m.nt. W.F.P., en uit de noot van Th.W.v.V. onder HR 22 februari 1977, NJ 1977, 288, volgt) dan wel of, gelijk het onderdeel wil, de grondslag van des burgemeesters bevoegdheid
uitsluitendof
medeis gelegen in bepalingen als art. 35 Politiewet Pro in samenhang met art. 219 en Pro art. 220 Gemeentewet Pro (W.F. Prins in zijn genoemde noot onder HR 24 oktober 1961, AA maart 1963 p. 118 e.v.; J.J.H. Suyver, in zijn dissertatie ''De zeggenschap over het politieorgaan naar Nederlands recht'', ongedateerd, p. 70 en 79 e.v., en in NJB 1977 p. 800), kan m.i. blijven rusten. Art. 28 heeft Pro, dunkt me,
op zijn minstde status van herformulering van hetgeen elders is bepaald. De in het voorschrift opgenomen hulpverlening is volgens Suyver (a.w., p. 71) een aan het ontwerp van de commissie-Langemeijer ontleend novum; in die zin kan art. 28 als Pro wettelijke grondslag worden aangemerkt. Het hof heeft terecht onderzocht of het door Prins c.s. gevorderde optreden van de burgemeester valt binnen de door art. 28 aangegeven Pro grenzen.
steunend opart. 28 Politiewet Pro: ‘’..... de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde''. Het door de president gegeven bevel aan de burgemeester een einde te doen maken aan de bezetting van het pand en Prins c.s. te beschermen etc., is door het hof blijkens r.o. 3 beschouwd als strekkende tot ‘’..... de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde'' en tevens tot ‘’..... het verlenen van hulp aan hen, die deze behoeven’’, e.e.a. in de zin van art. 28 Politiewet Pro. In de visie van het hof was de afwijzing door de president van het eerste petitum niet gegrond op ondeugdelijkheid van de daartoe aangevoerde rechtsgrond maar op de vaagheid van het gevorderde bevel.
bevoegdis te handelen zoals hem door de president van de rechtbank bevolen.
openbare orde’’ in art. 35 Politiewet Pro, aandacht. Dit begrip betekent niet hetzelfde als bv. ''openbare orde'' in het internationaal privaatrecht of ‘’publieke orde’’ in art. 14 Wet Pro AB. Zie de conclusie van de toenmalige procureur-generaal Langemeijer voor HR 19 januari 1962, NJ 1962, 107, die voor de artt. 217 en 219 Gemeentewet als definitie ''het ordelijk verloop van het gemeenschapsleven'' aanhoudt. Een zekere vaagheid ligt onvermijdelijk in het begrip ''openbare orde'' besloten. De M.v.T. op het huidige art. 35 (p. 14 links, ad art. 34) geeft aan dat aansluiting is beoogd aan de terminologie van de Gemeentewet. Het Politiebesluit 1945 sprak van ''openbare orde en rust''; de laatste twee woorden zijn in de Politiewet niet opgenomen, maar daarmee lijkt geen materiële wijziging te zijn bedoeld. De notie ‘’(openbare) orde’’ in art. 35 moet Pro daarom geacht worden mede een element van ‘’(openbare) rust’’ te behelzen. Zie Van der Pot-Donner, ‘’Handboek van het Nederlands staatsrecht’’, (1977), p. 393: ‘’de zorg voor veiligheid, rust en orde’’. Minister Struycken betoogde bij de mondelinge behandeling in de Tweede Kamer van art. 35, dat het daarin voorkomende begrip ‘’openbare orde’’ geen enge strekking heeft. Hij verwees daartoe naar het handboek van Oppenheim (‘’Het Nederlandse Gemeenterecht’’, tweede gedeelte, vijfde druk, p. 268 en 269). Zie voorts de nadere uiteenzettingen van de minister op dezelfde datum (29 maart 1957). Hand. II p. 2457 rechts): ‘’...... dat door de regering een ruime interpretatie van dat begrip ‘’openbare orde’’ wordt gegeven. Ik geloof, dat ik mij niet moet begeven in een definitie van wat ik naar moderne opvatting openbare orde moet noemen. Men komt dan terecht in een beschrijving van bepaalde acties of geeft een formule, die zó algemeen is, dat zij alleen met voorbeelden sprekend is te maken. Wanneer men het handhaven van de openbare orde noemt het handhaven van het normale rustniveau, is dat te statisch, omdat ik ook onder handhaving van de openbare orde zou willen verstaan een actie van een burgemeester om bv. baldadigheid te voorkomen, het voorkomen van de verstoring van de openbare orde dus in meer actieve, dynamische zin. Men kan zich dit op verschillende delen van het beleid indenken. Het heeft weinig zin, daarover in details te treden. Wij zijn het er echter in ieder geval over eens, dat hier het begrip ‘’openbare orde’’ in de ruime zin is bedoeld. Suyver wijst er in zijn meer genoemde dissertatie op, dat art. 28 spreekt Pro van ‘’daadwerkelijke’’ handhaving en dat daarin het element zit van een onmiddellijke ordemaatregel die de politieman ''op straat'' neemt (p. 71 en noot 80 op p. 107). Crince Le Roy, ‘’De burgemeester en de handhaving van de openbare orde in buitengewone omstandigheden'', 1967 (?), p. 51, schrijft: ‘’De openbare orde van art. 35 ziet Pro ..... op het rustniveau op straat en in voor het publiek toegankelijke plaatsen (artikel 221 Gemeentewet Pro)’’. F.H. van der Burg, ‘’Preventieve justitie en plaatselijke politie’’ (diss. 1961), p. 94: ‘’De openbare orde moet men m.i. zien als de afwezigheid van de direct waarneembare en de direct werkende storingen van het algemeen welzijn ..... de algemene veiligheid van persoon en goed, aan de ordelijke gang van zaken op de openbare straat en in de voor het publiek toegankelijke plaatsen.’’ HR 11 maart 1929, NJ 1929, 895, overwoog dat de (preventieve) taak der politie omvat ‘’de verzekering van openbare orde, veiligheid en rust’’. Die ''(openbare) veiligheid en rust'' vallen thans onder de ‘’openbare orde’’ van art. 35 Politiewet Pro.
preventieveelement. Handhaving van de openbare orde kan meebrengen optreden ter voorkoming van verstoring van de openbare orde. Zie hierover Suyver, diss., p. 70–71 en 91; Donner, Nederlands bestuursrecht I (1974) p. 317 en 319; M.v.A. 3525 nr. 7, p. 13 rechts.
evenredigheidsbeginsel. Hij mag geen gebruik maken van ‘’onnodig harde middelen of van middelen, die niet in juiste verhouding staan tot de ernst van de onrechtmatige toestand, die moet worden voorkomen of ongedaan gemaakt’’, aldus de M.v.T. op art. 27 (p. 13 rechts), waar — zoals reeds gezegd in het voorafgaande, nr. 5 — een en ander wordt opgehangen aan de in de bepaling opgenomen woorden ''in overeenstemming met de geldende rechtsregelen’’. Zoals Suyver, a.w., p. 85, schrijft: ‘’Natuurlijk zal de burgemeester de hantering van zijn bevoegdheden afhankelijk stellen van de ernst van de ordeverstoring’’. Zie over dit evenredigheidsbeginsel: Suyver, a.w., p. 67 (met noot 67 op p. 105–106) tot en met 70; Van der Pot-Donner, p. 396; Donner, Bestuursrecht, p. 326 (en, wanneer het gaat om ''politiedwang'': p. 330). HR 24 oktober 1961, NJ 1962, 86, meer genoemd, overwoog ‘’dat de vraag, of het handelend optreden van een politie-ambtenaar rechtmatig is, nochtans mede hiervan afhangt, of het door de omstandigheden, waaronder het plaats vindt, naar redelijk inzicht wordt vereist’’. In deze verwijzing naar de omstandigheden en naar het redelijk inzicht ligt m.i. toepassing van het evenredigheidsbeginsel besloten. Suyver, a.w., p. 105–106 (noot 67) neigt ertoe het evenredigheidsbeginsel gelijk te stellen aan het redelijkheidsbeginsel, waarop ik nader zal ingaan bij de bespreking van de onderdelen 3 en 4.
beleidsvrijheidvoor de burgemeester is gegeven. Zie over deze beleidsvrijheid de losbladige ‘’Onrechtmatige daad’’ VII nrs. 63 e.v. en nrs. 251 e.v.; HR 29 maart 1940, NJ 1940, 1128 (E.M.M.) inz. ''Helden-kermis''; HR 12 maart 1971, NJ 1971, 265 (m.nt. W.F. Prins); HR 28 februari 1975, NJ 1975, 423 (m.nt. W.F.P.), AB 1975, 128 (St.), Bouwrecht 1975, p. 455 (Crince le Roy). De rechter die de rechtmatigheid van het optreden van de burgemeester moet beoordelen, moet zich daarom beperkingen opleggen bij de toetsing van de door de burgemeester gekozen handhavingsmiddelen. Hetzelfde geldt voor de rechter aan wie een bevel tot het nemen van bepaalde, concrete ordehandhavingsmaatregelen wordt gevraagd.
bevoegdwas omdat het als een
passendmiddel, afgestemd op de concrete situatie, moest worden beschouwd? Het antwoord hierop moet, naar mijn opvatting, bevestigend zijn. Een (eventueel gewelddadige) ‘’herovering’’ door de politie is een passende reactie op de gewelddadige ‘’verovering’’ van 20 oktober 1981, mits de politie niet meer geweld gebruikt dan nodig is. Gebruik van vuurwapens zal, naar men moet hopen, niet in aanmerking komen. Zie de losbladige ‘’Onrechtmatige daad’’ VII nr. 253.
beoordelingvan de
ernstvan de ordeverstoring komt aan de burgemeester een zekere vrije marge toe. Het een hangt immers nauw met het ander samen. Het inzetten van politiemensen voor een bepaalde taak berust, zeker wanneer dat massaal zal gebeuren, op een afweging van alle betrokken beleidsaspecten. Daarbij moet o.m. onder ogen worden gezien welke andere taken dientengevolge
nietzullen kunnen worden vervuld alsmede welke gevolgen en repercussies voor de openbare orde van het beoogde optreden moeten worden verwacht. Beleidsprioriteiten moeten worden gesteld. Het behoeft geen nader betoog dat de rechter zich in een geschil tussen een ''hulpbehoevende'' zoals Prins c.s. en de burgemeester bij de rechtmatigheidsbeoordeling ten deze terughoudend zal moeten opstellen. Zijn toetsingsinstrumentarium bestaat in een dergelijk geschil, dunkt me, uit niet meer dan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
toenmocht optreden.
onderdelen 1 en 2geen succes kunnen hebben, nu de burgemeester in principe
bevoegdwas aan de bezetting van het pand een eind te maken en Prins c.s. te beschermen zoals door de president van de rechtbank bevolen.
verplichtwas, zoals president en hof hebben geoordeeld.
onderdelen 3 en 4, die bedoeld redelijkheidsoordeel van het hof bestrijden, doe ik voorafgaan de opmerking dat dat oordeel een rechtsoordeel is dat in cassatie op juistheid kan worden getoetst. Vergl. de conclusie van Langemeijer voor HR 1 december 1961, NJ 1962, 78, p. 310 rechts. Of daarbij
rechtstreeksaan algemene beginselen van behoorlijk bestuur wordt getoetst, dan wel wordt onderzocht of de burgemeester in redelijkheid niet tot het litigieuze besluit (nl. om
nietaan de politie opdracht te geven aan de bezetting van het pand een eind te maken enz.) had kunnen komen
waarbij mede van belang isof dat besluit in strijd zou komen met een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, is op basis van de rechtspraak van de burgerlijke kamer van de Hoge Raad en de doctrine niet volstrekt duidelijk. Zie HR 13 maart 1981, NJ 1981, 346 met de conclusie OM en de noot van C.J.H.B.; HR 25 april 1980, NJ 1981, 416 met de conclusie OM en de noot van M.S.; de losbladige ‘’Onrechtmatige daad’’ VII nrs. 93–95 met verdere gegevens. Ik ben geneigd mij aan te sluiten bij de opvatting van de annotatoren Brunner en Scheltema dat de civiele kamer van de Hoge Raad niet
rechtstreeksaan voormelde beginselen toetst, maar een redelijkheidstoetsing hanteert waarbij bedoelde beginselen mede van belang kunnen zijn.
nietin te grijpen conform het in cassatie bestreden bevel. Daarvoor is van belang dat het hof uitsluitend heeft gekeken naar de bejegening die de ''rechtmatige huurder'' Prins, met de zijnen, van de kant van de bezetters van het pand had ondervonden (hetgeen moeilijk te rijmen lijkt met HR 25 september 1981, NJ 1982, 315, r.o. 3), en niet de navolgende, door de burgemeester in hoger beroep gestelde feiten en omstandigheden in de afweging heeft betrokken:
kanverlenen die zij behoeven (m.v. grieven p. 13–14);
in het geheel nietin zijn eigen afweging
mochtbetrekken. Deze opvatting is onjuist.
uitsluitendde burgemeester verantwoordelijk is voor de handhaving van de openbare orde in de gemeente, zoals de officier van justitie de exclusieve verantwoordelijkheid heeft voor de opsporing van strafbare feiten. Maar dat betekent niet dat de burgemeester het beleid van de officier van justitie bij de beteugeling van strafbare ordeverstoringen zou mogen of moeten negeren. Integendeel, de burgemeester is naar mijn mening
verplichthet in het gemeenschappelijk overleg gevormde standpunt van de officier van justitie als een van de relevante factoren in aanmerking nemen bij het nemen van zijn beleidsbeslissing in een geval als het onderhavige, waarin strafrechtelijk optreden tegen de bezetters van het pand eveneens mogelijk was en door de officier van justitie is overwogen maar verworpen. F.H. van der Burg en A.C. 't Hart schrijven in hun preadvies voor de Vereniging voor de vergelijkende studie van het recht van België en Nederland, 1981, p. 43: ''Een sterk geïntegreerd strafrechtelijk en openbare orde beleid moet worden gevoerd bij manifestaties die — afgezien van misschien ideële intenties bij een bepaalde kern — worden gebruikt en overgenomen door grote groepen die het juist te doen lijkt om het vechten met de politie, het stenen gooien, het brand stichten en vernielingen aanrichten.'' Het staat de burgemeester vrij in een concreet geval het standpunt van de officier van justitie zwaar te laten wegen. Daaraan behoeft niet af te doen dat de officier van justitie tot zijn standpunt is gekomen op gronden die wellicht niet alle door de rechter — bij een latere beoordeling in alle rust ! — als juist aanvaard zullen worden.
onvoldoendegewicht heeft toegekend.
instructienorm is en geen
waarborgnorm ten behoeve van hen die hulp behoeven in de zin van die bepaling.
gelijkeaanspraken op bescherming van personen en goederen en van veiligheid, zoals verankerd in art. 4 Grondwet Pro resp. art. 5 Verdrag Pro van Rome, zich — gegeven de in nr. 10 onder (c) aangeduide ontoereikendheid van beschikbare beschermingsmiddelen — eerder verzetten tegen het aanvaarden van een (de gelijkheid van de burgers doorbrekend)
rechtvan nu juist partijen Prins c.s., jegens de burgemeester, op bescherming enz., dan een grondslag voor zo'n recht kunnen bieden. Het gaat hier niet om bescherming van een particulier tegen de overheid maar om de bescherming van de ene particulier tegen de ander. Daarvoor stellen het civiele recht en het strafrecht middelen beschikbaar. Dat
bovendiende burgemeester ingevolge de artt. 28 en 35 Politiewet tot bescherming verplicht zou zijn, valt in zijn algemeenheid niet te verdedigen.
plichtop de openbare orde te handhaven door de bezetting van het pand te beëindigen en Prins c.s. hulp te verlenen enz., in die zin dat schending van die plicht een onrechtmatige daad tegenover Prins c.s. oplevert? De tekst van art. 28 levert Pro een argument voor het standpunt, dat die wetsbepaling de
belangenvan hen ''die hulp behoeven'' beoogt te beschermen (Schutznorm). Wat betreft de vraag naar het bestaan van een tegenover de burgemeester, als hoofd van de plaatselijke politie, geldend te maken
rechtop bescherming van een ''hulpbehoevende'', volgens HR 23 november 1939, NJ 1940, 242 (E.M.M.), het Zuiderhavenarrest, moet daartoe worden onderzocht of art. 28 Politiewet Pro voor belanghebbenden ‘’..... een aanspraak op zekere gedraging van de Overheid wil vestigen’’. In mijn conclusie voor HR 1 juli 1982, R.v.d.W. 1982, nr. 147, heb ik — met vermelding van verdere gegevens, ook over de Schutznorm-problematiek (zie ook art. 6.3.1.2 NBW met de Toelichting, Van Zeben p. 632 met noot 5) — betoogd dat niet slechts moet worden gekeken naar de bedoeling van de wetgever maar ook naar de strekking van de wet.
o. art. 35 Politiewet Pro, dan vindt men het navolgende relevante fragment. Bij de mondelinge behandeling in de Tweede Kamer op 29 maart 1957 werd het probleem of op de politie een rechtsplicht tot hulpverlening rust, aan de orde gesteld, en wel door het Kamerlid Van Rijckevorsel. Hij gaf — geïnspireerd door het verhaal van de barmhartige Samaritaan? — als voorbeeld iemand die met een verstuikte voet langs de weg ligt en de hulp van een passerende politie-agent inroept. Deze werpt tegen dat hij er geen tijd voor heeft omdat hij ander noodzakelijk werk te doen heeft. Heeft deze agent nu zijn rechtsplicht ten aanzien van het slachtoffer geschonden? Zie Hand. II d.d. 29 maart 1957 p. 2465. Minister Samkalden antwoordde o.m.: ''Het voorbeeld van de geachte afgevaardigde geeft eigenlijk al aan, dat deze bepaling hier mag staan en eigenlijk behoort te staan. Als die voorbijrijdende politie-agent niet overeenkomstig de wettelijke regeling met een andere taak is belast, dus niet een boef moet opbrengen, is het naar mijn mening inderdaad zijn taak iemand, die hij langs de weg aantreft en die zich niet zelfstandig kan voortbewegen, op de een of andere wijze hulp te verschaffen. Ik vind dit een heel normale taak, zoals ik het ook heel normaal vind, dat de politie in de drukte van de moderne steden ongewende burgers helpt bij het oversteken.’’ (Hand. p. 2466 links.)
nietde strekking, meer te zijn dan een instructienorm (taakomschrijving) en aan de burger een aanspraak jegens de burgemeester te verlenen op ordehandhaving en hulpverlening. Voor ordehandhaving die
niettevens hulpverlening is, behoeft dat m.i. geen nader betoog. Slechts onder bijzondere omstandigheden kan men aanvaarden dat een individuele burger aanspraak kan maken op hulpverlening door de politie. Te denken is aan het voorbeeld van het Kamerlid Van Rijckevorsel. Men mag aannemen dat de surveillerende agent verplicht is in te grijpen wanneer hij ''op straat'' een burger in een noodsituatie ontmoet. Anders ligt dat al wanneer de agent bezig was een bepaalde opdracht uit te voeren. Niet gauw zal dan een plicht tot en een recht op hulpverlening, die ten koste moet gaan van de uitvoering van bedoelde opdracht, kunnen worden aanvaard. Aan de politieagent zal een ruime beoordelingsvrijheid moeten worden gelaten voor afweging van de in het spel zijnde belangen. Voor de burgemeester, die in het kader van de handhaving der openbare orde en de hulpverlening aan hulpbehoevenden aan de politie opdrachten kan geven, verkrijgt het probleem een extra dimensie. Hij moet het hele beleidsveld overzien en onder meer de in het vorenstaande, nr. 10, opgesomde aspecten in de afweging betrekken. Een recht op politiebescherming, toekomend aan de individuele burger, zal m.i. slechts in zeer extreme uitzonderingsgevallen kunnen worden aanvaard, bv. wanneer het gaat om iemand die in sterke mate in de publiciteit staat of heeft gestaan en reeds herhaaldelijk doelwit van ernstige agressie is geweest of dreigt te worden.
nietwordt aangenomen dat uit de bevoegdheid tot politie-optreden ook een plicht voortvloeit om van die bevoegdheid gebruik te maken. Een citaat: ''Wat het adagium ''publiek recht is publieke plicht'' ook moge betekenen, het wil in ieder geval niet zeggen, dat een burger zich bij de civiele rechter zou kunnen beklagen over de niet-hantering van een de overheid toekomende bevoegdheid, tenzij wellicht dit niet-handelen aangemerkt zou kunnen worden als resultaat van een beslissing, die zelfs een marginale toetsing niet zou kunnen doorstaan.'' (W.F. Prins in zijn noot, sub 6, onder HR 12 maart 1971, NJ 1971, 265). Een dergelijke marginale toetsing heeft het hof in het bestreden arrest niet op de juiste wijze verricht, zoals in het vorenstaande (nr. 10) betoogd. Zie voorts de reeds genoemde Toelichting op art. 6.3.1.2, Van Zeben p. 633, een algemene conclusie trekkend uit het Zuiderhaven-arrest (HR 23 november 1939, NJ 1940, 242).