Conclusie
Recapitulatie: afrekening t/m 28-6-1976 ....’’, met daaronder de handtekening van [eiser] .
onderdeel A van het middelbetoogd dat de Rechtbank aldus een rechtens onjuiste maatstaf heeft aangelegd. Lijkt het mij in het algemeen al geen wet van Meden en Perzen (zie Contractenrecht II (Blei Weissmann) nrs. 86 e.v.) dat degene, die een schriftelijke verklaring ondertekent waarvan hij de strekking niet begrijpt en die dus zijn wil niet kan weergeven — hiervan zal Uw Raad m.i. moeten uitgaan, nu [eiser] dit had gesteld, maar de Rechtbank hetgeen de Kantonrechter hieromtrent heeft vastgesteld, niet heeft overgenomen — zonder meer aan die verklaring gebonden zou zijn, en wel ongeacht of hij tot het afleggen van die verklaring al dan niet ‘’verplicht’’ was (i.c. was dit voor [eiser] natuurlijk de enige manier om het hem nog toekomende bedrag meteen in handen te krijgen), in de verhouding tussen een werkgever en een (Marokkaanse) werknemer gelden de door de Rechtbank geformuleerde regels m.i. zeker niet. De vraag naar de gebondenheid aan een afgelegde verklaring moet, zoals eiser met juistheid aanvoert, worden beantwoord aan de hand van de in de artikelen 3.2.2 en 3.2.3 NBW neergelegde regels: het gaat er in casu om welke zin partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen mogen toekennen en wat zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mogen verwachten.
onderdeel Bvan het middel wordt, naar mijn mening evenzeer terecht, betoogd dat tegenover het nadeel, dat voor [eiser] uit de (eenzijdige) afstand zou kunnen voortvloeien, [verweerster] harerzijds niet meer heeft gepresteerd dan waartoe zij rechtens gehouden was, noch, afgaande op het door [eiser] gewekte vertrouwen dat hij afstand wilde doen, iets heeft gedaan of nagelaten waardoor zij in een ongunstiger positie zou zijn gekomen dan anders het geval zou zijn geweest; althans is het één noch het ander gesteld of gebleken. Zie over de betekenis van de omstandigheid, dat zijn verklaring tot beëindiging van de dienstbetrekking (waarmee m.i. kan worden gelijkgesteld het doen van afstand van aanspraken voortvloeiend uit een nietigverklaring van een gegeven ontslag) voor de werknemer ernstige gevolgen kan hebben: de bijgevoegde conclusie sub 6, Contractenrecht II (Blei Weissmann) no. 30 en voorts HR 28 mei 1982 NJ 1983, 2 sub 3.2: ‘’Vrijwillige beëindiging door de werknemer van zijn dienstbetrekking heeft voor deze zo ernstige gevolgen, dat de bedoeling daartoe in situaties als de onderhavige niet te gauw door de werknemer mag worden aangenomen’’.