Uitspraak
15 april 1983.
Hoge Raad
De zaak betreft een werknemer die op staande voet werd ontslagen door zijn werkgever, waarna hij de nietigheid van dit ontslag in rechte heeft ingeroepen. De werknemer tekende een verklaring waarin hij afstand deed van aanspraken voortvloeiende uit de nietigheid van het ontslag, maar stelde de inhoud hiervan niet te hebben begrepen.
De rechtbank had geoordeeld dat de werknemer aan deze verklaring gebonden was, ook al begreep hij de inhoud niet, en dat het risico hiervan voor rekening van de werknemer kwam. De Hoge Raad oordeelde dat dit een onjuiste rechtsopvatting is, omdat het afhangt van wat de wederpartij uit de ondertekening mocht afleiden en wat redelijkerwijs verwacht mocht worden in de gegeven omstandigheden.
De Hoge Raad benadrukte dat de werkgever zich met redelijke zorg moet vergewissen dat de werknemer zich bewust is van de strekking van de verklaring, zeker wanneer het gaat om afstand van rechten na een ontslag op staande voet waarvan de nietigheid is ingeroepen. De zaak werd vernietigd en verwezen naar het gerechtshof voor hernieuwde beoordeling.
De uitspraak onderstreept de zorgvuldigheid die van werkgevers wordt verlangd bij het laten tekenen van verklaringen door werknemers, vooral in situaties van ontslag en afstand van rechten.
Uitkomst: Het vonnis van de rechtbank werd vernietigd en de zaak verwezen naar het gerechtshof voor hernieuwde beoordeling met inachtneming van de onderzoeksplicht van de werkgever.