Conclusie
onderdeel A van het middelmet zijn drie subonderdelen gebouwd, en indien deze regel geen uitzonderingen zou kennen (hetgeen wel een unicum in het recht zou zijn) zou het middel zeker slagen. Dat is m.i. echter niet het geval: er kunnen zich omstandigheden voordoen waarbij ondanks voltooide akte van cessie niettemin inning van de vordering door de cedent mogelijk blijft. Zo is de toenmalige Adv.-Gen. mr. Minkenhof in haar conclusie voor HR 6-1-1967 NJ 1967, 382 p. 1012 l.k. van oordeel, dat in het algemeen na een cessie de cedent geen inningsbevoegdheid meer bezit, maar zij acht het "denkbaar dat in een bijzonder geval — het kan zijn overeengekomen — krachtens de verhouding tussen cedent en cessionaris het inningsrecht nog wel bestaat en dat betaling aan de cedent wel bevrijdend is". In dezelfde zin de Adv-Gen. mr. Franx in zijn conclusie voor HR 10-10-1980 NJ 1981, 2 p. 21 r.k.: "... cessie door A aan B van een vordering van A op C (heeft) in beginsel — d.w.z. behoudens bijzondere kenmerken van de rechtsverhouding A — B ... — ten gevolge dat A zowel de hoedanigheid van crediteur als zijn bevoegdheid tot inning van zijn vordering op C verliest ...".
subonderdelen A–1 t/m A–3. Subonderdeel A–1 is naar ik meen reeds boven sub 7, 8 en 9 beantwoord. A–2 klaagt over 's Hofs gebruik van de term "betaling van haar voordien ontstane vorderingen"; m.i. tevergeefs, nu dit slechts een verkorte zegswijze is voor: "betaling van voordien (d.w.z. vóór 18 mei 1979) ontstane en haar alstoen nog toebehorende vorderingen".
Onderdeel Bvan het middel betreft de door [betrokkene 1] afgelegde eed. Het dictum van het vonnis van de rechtbank d.d. 18-9-1980 luidt, voor zover hier van belang: "Draagt eiseres — daarbij vertegenwoordigd door haar beherende vennoot [betrokkene 1] — op de volgende eed af te leggen ...". In appel betoogde [eiser] dat aan deze kort na het vonnis afgelegde eed geen betekenis kon worden toegekend, omdat de firma toen al niet meer bestond, en [betrokkene 1] toen (dus) geen beherend vennoot meer was. Het ging dus om twee vragen: bestond de firma nog op het moment van de eedsaflegging? en: is de eed afgelegd door iemand die toen bevoegd was de firma te vertegenwoordigen? Beide vragen heeft het Hof in rov. 10 bevestigend beantwoord; de eerste op grond van het voortbestaan ter liquidatie van de firma (zie boven sub 8), en de tweede op grond van het feit dat [betrokkene 1] (ook) als vereffenaar bevoegd was de firma te vertegenwoordigen (zie Van der Heijden-Van der Grinten no. 383 sub 2).