Conclusie
Bedrijfsruimte
In 1977 heeft de rechtbank te Rotterdam - op voet van art. 1632a oud BW een nadere huurprijs vastgesteld voor een aantal winkelpanden, gelegen te [plaats] aan het [a-straat] nummers [a-straat 1] , [a-straat 2] , [a-straat 5] , [a-straat 8] en [a-straat 10] . Dit geschiedde bij in hoger beroep gegeven beschikkingen van 16 november 1977. Al deze beschikkingen, die onherroepelijk zijn geworden bevatten de navolgende overweging:
nude in de vergelijking betrokken panden aan de schaduwzijde van het [a-straat] als vergelijkbare bedrijfsruimte in de huurprijsvaststelling kòn betrekken en misschien:
dieeven nummers van het [a-straat] (nrs. [a-straat 2] en [a-straat 8] ) in de huurprijsvaststelling betrekken, waarin een reisbureau gevestigd was, nu reisbureaus, aldus de klacht, niet vallen onder de omschrijving van bedrijfsruimte van art. 1624 lid 2 BW Pro?
Ad a12.1 De vraag of er sprake is van
vergelijkbarebedrijfsruimte komt mij voor in hoge mate van feitelijke aard te zijn, als zodanig mede afhankelijk van deskundig advies. Toen bij de parlementaire behandeling van het huidige artikel gevraagd werd naar een nadere precisering van het begrip "vergelijkbare bedrijfsruimte ter plaatse" antwoordde de Minister:
alte algemeen concludeert dat de HR de rechter en de deskundigen vrij laat in de vergelijkbaarheid en de motivering daarvan.
kunnenzijn met bedrijfsruimte, aangewend voor detailhandel is, mede gelet op het juist aangehaald citaat, niet wel verdedigbaar. Terecht stelt de rechtbank in haar eindvonnis vast, dat bij de vaststelling, welke bedrijfspanden vergelijkbaar zijn en welke niet een groot aantal factoren een rol spelen, die bovendien van geval tot geval verschillend kunnen zijn. Met de rechtbank ben ik van mening, dat ligging aan de zonzijde van een straat of plein dan wel aan de schaduwzijde aan de vergelijkbaarheid niet in de weg behoeft te staan. Ook de ligging aan de straat en de loopkeuze van het publiek behoeven vergelijkbaarheid niet te verhinderen.
Ad b.
13.1 Als nu op vraag a bevestigend wordt geantwoord, hoe kan dan de, wat de panden betreft als deelvraag aan te merken problematiek, onder b) vermeld nog van belang zijn?
nietA (nrs. 7, blz. 9).
Ad c
twéépanden komt er dan nog bij, dat zij (ook) niet in de vergelijking zouden mogen worden betrokken, omdat het geen bedrijfsruimten waren in de zin van art. 1624 lid 2 BW Pro.
dater sprake was van reisbureaus, al is dit enkel een weergave van de desbetreffende grief.
niettot de 1624-bedrijfsruimten hoort,
omdat reisbureau's daar niet toe horen.
[verzoekster]heeft noch in eerste aanleg nadat het B.H.A.C. zijn advies had uitgebracht en daarin duidelijk te kennen had gegeven
twee reisbureau'
sin de vergelijking te hebben betrokken, noch in appèl nadat de kantonrechter zich bij zijn uitspraak mede had gebaseerd op de huurprijs van de reisbureau's nrs. 18 en 34, daartegen enig bezwaar of enige grief opgeworpen. Naar ik meen kan dit niet met vrucht voor het eerst in cassatie geschieden nu:
hoeftte brengen, dat er geen sprake kan zijn van bedrijfsruimte in de zin van art. 1624, lid 2 BW. Daarvoor moeten meer gegevens op tafel komen en de beoordeling daarvan komt bij uitsluiting toe aan de feitelijke rechter. Hoe subtiel dat kan liggen, blijkt uit het door de raadsman van [verweerster] genoemde arrest HR 30 januari 1981 NJ 1981, 378 (P.A.S.): het
A.N.W.B. bijkantoorte Dordrecht dat een ruimte had, waarin ook artikelen werden verkocht was weer wel een 1624-bedrijfsruimte. De niet-plaatsgebondenheid speelt dan weer geen rol meer.
in dit opzichtgéén bezwaren werden aangevoerd, kan in cassatie niet - voor het eerst - worden vastgesteld, dat zij niet in de vergelijking mochten worden betrokken. Het is immers mogelijk - de raadsman van [verweerster] wijst er op - dat de huurprijs van twee niet 1624-a bedrijfspanden ter wille van een goede uitkomst in de vergelijking
moestworden betrokken.
alleklachten van het middel hebben besproken en wel in voor de klager negatieve zin. Ik ga de rij kort langs:
dwingtdie wetstekst zeker
niettot zulk rekening houden en de rechtbank kan reeds daarom het recht niet geschonden hebben door met de aard van de activiteiten (horeca) geen rekening te houden.
kanworden gehouden - welke stelling mij behalve in zeer bijzondere omstandigheden (benzinestations) niet juist voorkomt - brengt, dunkt mij, niet mee, dat de overweging van de rechtbank, volgens welke overeenkomstig het systeem der wet met de aard der activiteiten, geen rekening diende te worden gehouden, niet voldoende begrijpelijk zou zijn. Onder panden wordt verstaan: de gebouwde ruimte los van hun inrichting. Dit verklaart voldoende, is redengevend voor de onderhavige beslissing van de rechtbank.
vergelijkbaarheidvan bedrijfspanden - rekening te houden met datgene wat nu juist de
huurprijsvaststelling bepaalt: de (eventueel grote) verschillen in huurprijzen tussen vergelijkbare bedrijfsruimten (zie nr. 7 van deze conclusie, waarvan de harde kanten
enigszinsworden afgeslepen door de lange referentieperiode. Vóórdat deze was ingevoerd konden bedrijfshuren geweldig stijgen doordat welgestelde nieuwkomers of indringers bereid waren meteen te veel huur te betalen.)
bij de Hoge Raad der Nederlanden,