Conclusie
Onderdeel 1 sub a) van het middel acht onjuist en onbegrijpelijk de door het Hof gegeven uitleg van de aankomsttitel van AR-CU, aangezien het Hof, zonder eerst vast te stellen dat op AR-CU de verplichting rustte het [betrokkene 2]-beding te eerbiedigen en deze verplichting bij doorverkoop wederom op te leggen, niet tot het in rov. 4 neergelegde oordeel had kunnen komen.
Onderdeel 1b) acht 's Hofs oordeel onbegrijpelijk, nu het in rov. 5 heeft overwogen dat men er vóór 3-3-1905 niet aan dacht om bij wege van kettingbeding bij elke vervreemding opnieuw aan rechtsopvolgers onder bijzondere titel de verplichtingen op te leggen tot eerbiediging van het persoonlijke recht en tot wederoplegging van die eerbiedingsplicht omdat men meende dat ook een persoonlijk recht op de zaak bleef rusten, en anderzijds in rov. 6 heeft aangenomen dat een verplichting tot wederoplegging bij vervreemding kan voortvloeien uit omstandigheden, zoals de bewoordingen van het beding.
inhoudvan de aan het beding verbonden rechten en plichten is daardoor niet gewijzigd.
zonder meereen plicht tot wederoplegging van de eerbiediging van het beding met zich zouden brengen, dan nog kan de klacht geen doel treffen, omdat het Hof zijn oordeel niet alleen op deze omstandigheden grondt, maar eveneens op eigen uitleg van doel en strekking van het beding, zie rov. 7.
onderdeel 1c) aangevoerde: de uitleg van wat met het beding werd beoogd, staat los van de wijze waarop er later, in verband met gewijzigde rechtsopvattingen, uitvoering aan werd gegeven. Overigens is 's Hofs vaststelling dat het aannemen van beide verplichtingen recht doet aan, d.w.z. overeenstemt met, hetgeen partijen indertijd beoogden, feitelijk van aard en niet onbegrijpelijk. Dat de rechtverkrijgenden ‘’zonder enige tegenprestatie en zonder enige redelijke grond een grondrente moeten dulden’’ mist feitelijke grondslag: de tegenprestatie zal besloten liggen in de koopprijs — lager met dan zonder het beding (vergelijk HR 3-2-1982 NJ 1983, 60 WMK) — , en ook afgezien daarvan is voldoende grond daartoe dat men nu eenmaal bij de koop van de plantage aldus is overeengekomen.
Onderdeel 2betreft de overwegingen die het Hof wijdt aan de vierde grief in hoger beroep:
geïntimeerdenwanprestatie pleegt ...’’, maar: ‘’de stelling dat AR-CU
nietjegens geïntimeerden wanprestatie pleegt ...’’. En dat het Hof laatstbedoelde stelling niet heeft aanvaard, blijkt uit de verwerping van de grief, na te hebben overwogen als in rov. 9, 10 en 11 weergegeven.
Onderdeel 2b) meent dat het Hof ten onrechte in rov. 12 heeft overwogen dat [betrokkene 2] c.s. schade dreigen te lijden van een jegens hen door het Eilandgebied gepleegde onrechtmatige daad zodra het wil profiteren van de wanprestatie van AR-CU, zonder aandacht te schenken aan de vraag of het Eilandgebied ook schuld had aan de wanprestatie van AR-CU.
Onderdeel 2c)tenslotte voert aan dat het Hof heeft miskend dat op een rechtsopvolger onder bijzondere titel niet zonder meer de verplichting rust een kettingbeding te aanvaarden en dat het niet aanvaarden van een verplichting t.b.v. derden niet een onredelijk voordeel behoeft op te leveren.