ECLI:NL:PHR:1986:AB9411

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
18 maart 1986
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
79.78
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 282 SvArt. 407 lid 1 Sv
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest wegens niet-naleving oproeping getuige en bewijswaardering diefstal

De Hoge Raad heeft het arrest van het hof vernietigd omdat het hof geen nieuwe oproeping van een op de getuigenlijst voorkomende, maar niet verschenen getuige had bevolen, terwijl niet blijkt dat met toestemming van de procureur-generaal, verdachte en diens raadsvrouw van het verhoor is afgezien. Dit is een wezenlijk vormverzuim dat niet tot nietigheid leidt indien de verdediging niet is geschaad, maar hier was dat niet het geval niet vastgesteld.

Het hof had de verklaring van verdachte dat hij palen had gekocht van een onbekende man die zei dat hij bij het werk hoorde, als leugenachtig bestempeld. Dit oordeel is feitelijk van aard en kan in cassatie niet worden getoetst. Het hof achtte deze verklaring redengevend voor de bewezenverklaring van diefstal en niet van heling.

De Hoge Raad bevestigt dat het hof het gehele verhaal over de onbekende man als niet geloofwaardig heeft aangemerkt en dat het bewijs van diefstal daarmee is geleverd. De Hoge Raad verwijst naar vaste rechtspraak dat in hoger beroep het bestreden vonnis op het spel staat en de hogere rechter niet gebonden is aan beslissingen die hij onjuist acht.

De zaak wordt vernietigd en verwezen naar een ander hof voor verdere behandeling.

Uitkomst: Arrest van het hof vernietigd en zaak verwezen naar ander hof wegens niet-naleving oproeping getuige.

Conclusie

na.-
Nr. 79.780
Zitting 18 maart 1986
Mr. MeijersConclusie inzake:
[verdachte] .
Edelhoogachtbare Heren,
Het hof heeft voor het bewijs van de telastegelegde diefstal van een aantal palen en een 40-meter lang touw als bewijsmiddel onder meer gebruikt de verklaring die verzoeker ter terechtzitting in hoger beroep heeft afgelegd.
Verzoeker beweerde dat hij op 'n zaterdag de palen had gekocht van een onbekende "die zei dat hij bij het werk hoorde". Het hof is van oordeel dat deze bewering voor leugenachtig moet worden gehouden, omdat uit de verklaring van de als getuige gehoorde uitvoerder bleek dat er op zaterdagen geen werknemers van het bedrijf aanwezig waren.
Het
eerstemiddel voert, kort gezegd, als bezwaar tegen de redenering van het hof aan dat niet verzoeker, maar de onbekende heeft gelogen. Dit bezwaar is niet steekhoudend, omdat het uitgaat van een verkeerde lezing van de overweging van het hof. Het hof heeft het hele verhaal over de onbekende man en over diens mededeling als niet geloofwaardig aangemerkt en daarom diefstal, géén heling, bewezen verklaard, In het licht van de getuigenverklaring van de uitvoerder kon het hof de verklaring van verzoeker voor het bewijs redengevend achten. Voor een verdergaande toetsing van het oordeel van het hof is in cassatie geen plaats. Vgl. HR 19 juni 1973, NJ 1973, 356; J.M. Reintjes, Strafrechtelijk bewijs in wet en praktijk, p. 170-172.
Het
tweedemiddel stuit af op het bepaalde in art. 407, lid 1 Sv. Melai (red.), aant. 2 op art. 407:
"De memorie van toelichting rechtvaardigt de dwingende regel - dat in geval van appel het
gehelebestreden vonnis op het spel staat - als volgt: "Waar de strafvervolging ten doel heeft het vinden der materiële waarheid, kan de hoogere rechter die de zaak onderzoekt niet gebonden worden door beslissingen die hij onjuist acht ( ) "".
In de memorie van toelichting wordt er bovendien op gewezen dat het verbod van partieel hoger beroep lichtvaardige appellen wil tegengaan; vgl. H.G.M. Krabbe, Verzet en hoger beroep in strafzaken, p. 67, noot 127.
Het
derdemiddel signaleert dat uit het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof op 14 maart 1985 niet blijkt dat een voor de verdediging opgeroepen getuige is gehoord, terwijl evenmin blijkt dat met toestemming van de procureur-generaal en de verdachte van het verhoor van die getuige is afgezien.
Het voorschrift over het verzuim waarvan het middel kennelijk beoogt te klagen is dat van art. 282 Sv Pro., dat in hoger beroep van overeenkomstige toepassing is. Op verzoek (en voor rekening) van verzoeker heeft de procureur- generaal [getuige 1] als getuige opgeroepen tegen de zitting van 14 maart 1985 en hem vervolgens op de lijst van getuigen geplaatst. Het proces-verbaal van die terechtzitting vermeldt niet dat [getuige 1] is verschenen, zodat het ervoor moet worden gehouden dat hij niet was verschenen. Uit het proces-verbaal blijkt evenmin dat het hof het voorschrift van art. 282 in Pro acht heeft genomen. Het gaat hier naar vaste rechtspraak om een wezenlijke vorm, zodat - nu niet uit andere omstandigheden kan worden afgeleid dat verzoeker en zijn raadsman zich bij de afwezigheid van de opgeroepen en op de lijst gebrachte getuige hebben neergelegd en het belang van de verdediging dus niet was geschaad - nietigheid van het onderzoek het gevolg is. Voor de reden van deze substantiële nietigheid zij verwezen naar HR 11 april 1932, NJ 1932, p. 1590, m.n. T. Vgl. Melai (red.), aant. 3 op art. 282 en Pro de in de aantekening en in voetnoot 1 vermelde jurisprudentie.
Ik concludeer tot vernietiging van het bestreden arrest en verwijzing van de zaak naar een aangrenzend hof.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,