Conclusie
Onderdeel 1van het middel klaagt er over dat het hof van een onjuist criterium is uitgegaan bij zijn oordeel dat [verweerster] geen onrechtmatige daad kan worden verweten. Het onderdeel berust op de stelling dat de aan Bey verweten gedraging reeds dan als onzorgvuldig heeft te gelden en de schade die als gevolg van die gedraging is opgetreden reeds dan aan [verweerster] dient te worden toegerekend, indien door die gedraging het gevaar voor het ontstaan van dergelijke schade in het leven is geroepen.
redelijkerwijze is aan te nemen(cursivering van mij, A.) dat door de gedraging een gevaar voor een ongeval kon ontstaan en of dat gevaar zich heeft verwezenlijkt", een norm die, naar mr Sillevis Smitt stelt, ook ten grondslag ligt aan art.25 WVW Pro - vandaar, naar ik aanneem, de gecursiveerde woorden die immers ook in die bepaling voorkomen [1] .
Onderdeel 2richt zich tegen de overweging van het hof dat de stap van [verweerster] als een volstrekt normale reflex en, gezien de situatie van dat moment als een adequate reactie moet worden beschouwd en dat niet is gebleken dat er met die stap iets bijzonders was in zoverre dat zij volstrekt onverhoeds werd gezet.
De subonderdelen a en b van onderdeel 3(
subonderdeel cmist zelfstandige betekenis) keren zich tegen het oordeel van het hof dat - kort gezegd - ook als [verweerster] zich ervan bewust had moeten zijn dat er iemand achter haar stond haar gedraging niet onrechtmatig is.