Conclusie
eerstemiddel komt op tegen de overwegingen waarmee het hof heeft verworpen het namens verzoekster gevoerde verweer
tweedemiddel faalt, omdat het bewijsverweer, vermeld in onderdeel 5 onder a van de aan het zittingsverbaal gehechte pleitnota, zijn weerlegging heeft gevonden in de met redenen omklede bewezenverklaring.
derdemiddel is dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat verzoekster het in de telastelegging bedoelde geschrift zou hebben verspreid. Het is duidelijk dat het middel moet falen, reeds omdat niet is ten laste gelegd dat verzoekster het bedoelde geschrift heeft verspreid. Telastegelegd is, voor zover hier van belang, dat zij het geschrift ter verspreiding in voorraad heeft gehad. Dat kan uit de bewijsmiddelen volgen, in het bijzonder uit verzoeksters verklaring in hoger beroep en uit verzoeksters brief van november 1983 met de aanhef ‘’Beste vrienden en vriendinnen’’, waarin verzoekster onder meer het bedoelde geschrift te koop aanbiedt. Aan enige voor het bewijs gebruikte brieven van derden heeft het hof redengevende kracht voor de bewezenverklaring kunnen toekennen, in zoverre die brieven, in hun onderlinge samenhang en in verband met de overige bewijsmiddelen bezien, een aanwijzing vormen voor de omstandigheid dat lieden uit een bepaalde kring zich voor het verkrijgen of inzien van geschriften van een bepaalde strekking tot verzoekster wendden.
oudSr.) en in verband daarmee de opmerking in het tweede interimrapport van de adviescommissie zedelijkheidswetgeving in het hoofdstuk over de wetgeving van 1886 en 1911 (p. 9):
bisen 451
bis. ( ) (Art. 240
bis) heeft naast art. 240 de Pro betekenis, dat reeds het aanbieden of verstrekken van één object een strafbaar feit oplevert, terwijl art. 240 — dat spreekt van ‘’verspreiden’’ — naar de algemene opvatting een pluraliteit van objecten veronderstelt.’’
vierdemiddel, dat tegen de verwerping van het onder 15 weergegeven verweer opkomt, is vruchteloos voorgesteld.
vijfdemiddel is dat het hof uit de gebezigde bewijsmiddelen niet heeft kunnen afleiden dat verzoekster redelijkerwijze moest vermoeden dat het geschrift voor de Joden beledigende uitlatingen bevatte.
zesdemiddel betwist dat het hof uit de gebezigde bewijsmiddelen heeft kunnen afleiden dat het in de telastelegging bedoelde geschrift uitlatingen bevat die voor de Joden beledigend waren.
zevendemiddel wordt gesteld dat uit de bewijsmiddelen niet kan volgen dat de in het geschrift vervatte uitlatingen voor de Joden
wegenshun ras beledigend waren.
wegens hun rasbeledigend worden opgevat. Het geschrift maakt op stuitende wijze discriminerend onderscheid tussen mensen op grond van het behoren tot een bepaald ras; vgl. HR NJ 1985, 40; HR NJ 1985, 531 (in het bijzonder overw. 6.5.1); HR NJ 1986, 689, Melai in zijn noot in NJ 1985, 531 en Van der Neut, discriminatie en strafrecht, 1986, p. 68–69.