Conclusie
Rekest nr. 7094
Parket, 16 januari 1987
1. onderhoud centrale verwarming,
2. onderhoud liften,
3. onderhoud dakventilatoren
onder 6),"
onder 12)"
hoerestrictief die uitleg mag zijn heeft al tot vele procedures aanleiding gegeven en dreigt tot steeds ingewikkelder redeneringen te zullen gaan leiden.
voor allesduidelijk zijn, geen twijfels in het leven roepen. Dat zou ook te wensen zijn ten aanzien van het materiele recht, maar als men daaraan niet eens toekomt, omdat de regels van procesrecht wegens gebrek aan duidelijkheid barricades opwerpen die de toegang daartoe verhinderen, is dat nog bedenkelijker.
ofer ten aanzien van een bepaalde post een betalingsverplichting is (dan wèl hoger beroep etc.), maar dit dan gekoppeld aan een denken
ten faveurevan mogelijkheid van hoger beroep, al was het maar omdat het volstaan met één
echte rechterlijkeaanleg in ons burgerlijk recht een zeldzame (maar m.i. ook gevaarlijke) zaak is. (Dat die pro-hoger beroep tendens óók de Hoge Raad "bezielde" was blijkbaar niet
alleeneen idee van mij; pleitnotities in appèl van Mr. Tomlow, blz. 2: "eerlijkheidshalve tot verrassing van alle betrokkenen").
blijvenook al mag een restrictieve interpretatie van het appel-verbod volgens de Hoge Raad dit appel-verbod niet zozeer "uithollen" als mij nog aanvaardbaar leek. Nu het door mij voorgestelde criterium niet is aanvaard, moet er een ander gevonden en gehanteerd worden, dat
ookduidelijk is. Eerlijkheidshalve moet ik zeggen, dat in de beschikking van de Hoge Raad niet aangetroffen te hebben.
omdatde kosten daarvan tot de kale huurprijs behoren.
omtrent b: zij is vatbaar voor hoger beroep in zoverre hier een oordeel is gegeven omtrent de huurprijs. Wij gaan daarom onderzoeken of dit het geval is. We komen tot de conclusie: nee, dit is niet het geval. De kantonrechter heeft immers beslist, dat de kosten voor b in de kale huurprijs zijn vervat en deze beslissing valt binnen het raam van de artt. 12 en 14 lid 1 HPW.
en vooral: of het feit wellicht
noch het een nòch het anderoplevert.
de wijze waaropde rechter van zijn aan het artikel ontleende bevoegdheden gebruik heeft gemaakt door zijn oordeel over de aan- of afwezigheid van gewichtige redenen en de waardering daarvan .... de beslissing over de
wijze waaropenz., is niet appellabel maar die over het
bestaanvan de bevoegdheid wel."
zonder toekenningvan een vergoeding ten laste van de werknemer een beslissing heeft gegeven die "blijft binnen het raam van art. 1639w" en dus niet appellabel is.
nietsprake is van een der soorten van gewichtige redenen (getransponeerd: dat er geen overige betalingsverplichting is, die
òpde kale huur komt) binnen het raam, het toepassingsgebied van art. 1639w BW (getransponeerd: art. 14 HPW Pro) blijven.
Enwaar is het onderscheid met een oordeel over het
bestaanvan de bevoegdheid?
dusis de eiser in zijn vordering niet-ontvankelijk.
andere: zij betreft de beslissing dat het artikel (1639w BW; art. 14 HPW Pro) buiten toepassing moet blijven (of dat het artikel moet worden toegepast) en dáártegen kan men in hoger beroep opkomen met de grief, onderscheidenlijk dat het artikel (1639w BW; art. 14 HPW Pro)
ten onrechtebuiten toepassing is gelaten en dat het artikel
ten onrechteis toegepast (HR 1982, NJ 1983, 181). In het arrest van 1971 ging het over de beslissing dat de eiser niet-ontvankelijk was in het gevraagde, omdat zij een 1639w BW vordering instelde tot
ontbindingvan een volgens haarzelf niet meer bestaande arbeidsovereenkomst.
nietbuiten toepassing heeft gelaten en wel omdat hij, om met Franx te spreken, vaststellende wat er niet onder het artikel viel, "binnen het raam" (HR), binnen het toepassingsgebied (HR) van artikel 14 HPW Pro bleef?
materiëleklacht ging over de kwalifikatie van de kosten van liftkeuring. De kantonrechter had, zakelijk weergegeven, op dat punt overwogen dat dit kosten van exploitatie waren van voorzieningen die deel uitmaakten van de woonruimte en welke als zodanig tot de "kale huurprijs" behoorden en die daarom niet als bijkomende kosten in rekening konden worden gebracht.
duidelijkeonderschrijving onderken van het op 8 november 1985 wellicht aan de Hoge Raad nog niet bekende standpunt van Franx, neergelegd in zijn meergenoemde conclusie, stel ik toch vast datééen van de grondbeslissingen van de kanto rechter in HR 1986, 121 was, dat de kosten van liftkeuring
niet behoorden tot de overige betalingsverplichtingen maar deel uitmaakten van de kale huur.
kande vraag van art. 14 lid 1 HPW Pro aan de orde komen, nl. welke dan die betalingsverplichting wel is, hoe hoog zij is. Daartoe is dan nog nodig, dat de vragen bevestigend worden beantwoord. De ktr. heeft ze echter - beide - ontkennend beantwoord op grond van door hem vooraf gestelde algemene regels."
toenvolgens de Hoge Raad hoger beroep tegen de gehele beslissing van de kanton-rechter uitgesloten.
46. Ik voeg hier nog een paar opmerkingen aan toe. De werkwijze van de rechtbank is wat moeilijk te doorgronden. Ik begrijp haar echter zo, dat de rechtbank vooral heeft willen weerleggen en in feite op goede gronden
hééftweerlegd, wat [verzoekster] omtrent de mogelijkheid van appellabiliteit als hiervoor onder 19 weergeven, heeft aangevoerd.
nietonder de bijkomende kosten van art. 14 HPW Pro valt, beslissingen zijn binnen het raam van dat artikel en daarom niet vatbaar voor hoger beroep of beroep in cassatie. Daaraan doet niet af dat als reden waarom dat zo is wordt opgegeven dat dat feitencomplex onder andere regels hoort (betreffende de hoogte van de kale huur).
b). Indien de appellabiliteit van een vonnis afhankelijk is van de juistheid van een in hoger beroep ingenomen standpunt (dat namelijk een oordeel is gegeven over de hoogte van de huurprijs) zal als dat standpunt, die grief, onjuist wordt bevonden, zulks leiden tot niet-ontvankelijk-verklaring van het hoger beroep in zijn totaliteit (zie nr. 36. van deze conclusie).