Conclusie
Onderdeel 1van het middel in het principale beroep bevat de — in de volgende onderdelen uitgewerkte — algemene klacht dat het hof het beroep op dwaling heeft beoordeeld aan de hand van onjuiste maatstaven, althans dat 's hofs arrest aan motiveringsgebrek lijdt omdat niet duidelijk is welke maatstaven het hof heeft aangelegd.
eerderstadium worden gesitueerd: het hangt van de omstandigheden van het geval af,
often laste van de ene partij een mededelingsplicht (eventueel zelfs voorafgegaan door een onderzoeksplicht), moet worden aangenomen, dan wel of deze wijkt voor een onderzoeksplicht aan de zijde van de wederpartij. Verg. o.m. Asser-Schut blz. 120–125, Nieuwenhuis, AA 1986, blz. 315 e.v., Vranken, Mededelings-, informatie- en onderzoeksplichten in het verbintenissenrecht (1990), blz. 11 e.v., Contractenrecht II-E (Hijma), nr. 1110 e.v. Echter, indien eenmaal het bestaan van een mededelingsplicht is vastgesteld, geldt de voormelde regel, die meebrengt dat een beroep op dwaling niet meer te goeder trouw kan worden afgeweerd door te verwijzen naar een eigen onderzoeksplicht van de dwalende, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden die een uitzondering rechtvaardigen. In het stramien van art. 6:228: een Pro beroep op dwaling slaagt indien de wederpartij in verband met hetgeen zij omtrent de dwaling wist of behoorde te weten, de dwalende had behoren in te lichten (lid 1 onder b), tenzij de dwaling in verband met de aard van de overeenkomst, de in het verkeer geldende opvattingen of de omstandigheden van het geval voor rekening van de dwalende behoort te blijven (lid 2).
rechtsklachtvan
onderdeel 1, alsmede
onderdeel 2gegrond. Hetzelfde geldt voor
onderdeel 3: de stelling dat op de ondeskundige koper van een tweede-hands auto (of van een tweede-hands auto van anderhalf jaar oud)
steedseen onderzoeksplicht zou rusten (r.o. 5), althans indien de auto wordt gekocht van een ‘’geheel onbekende’’ verkoper (r.o. 6), gaat m.i. te ver: of er zo'n plicht is hangt af van de omstandigheden van het geval. Vgl. HR 15 nov. 1985, NJ 1986, 213 m.o. G.; AA 1986, p. 315 e.v. m.o. Nieuwenhuis. Weliswaar had die uitspraak betrekking op wanprestatie, maar dat maakt dunkt mij in dit opzicht geen verschil.
Onderdeel 4(en daarmee de
motiveringsklachtvan
onderdeel 1) is m.i. eveneens gegrond. Indien het hof zou hebben bedoeld dat, uitgaande van de in nr. 7 vermelde regel, daarop in het onderhavige geval een uitzondering moet worden aanvaard, geeft het arrest m.i. onvoldoende inzicht in 's hofs gedachtengang, zeker nu het mij allerminst evident lijkt dat de omstandigheden in casu zo'n uitzondering rechtvaardigen. Daarbij denk ik mede aan de omstandigheid, die het hof niet uitdrukkelijk in de afweging heeft betrokken, dat hier tegenover een ondeskundige koopster een in de uitoefening van zijn bedrijf handelende verkoper stond. Vgl. het geciteerde arrest van 1985 en Gisolf, VR 1974, blz. 101–102.
Onderdeel 5voert m.i. terecht aan dat het feit dat ‘’de gevolgen van de verzwijging niet al te bedenkelijk zijn’’ (waarmee het hof doelt op de omstandigheden dat de auto niet onveilig was en dat Van Geest er een tijd mee heeft gereden), mogelijk wel van belang is bij de beoordeling van de grondslagen wanprestatie en verborgen gebreken, doch niet het juiste criterium oplevert ter beoordeling van de vraag of aan de koopster een beroep op dwaling toekomt; daarvoor is immers relevant of zij de overeenkomst bij een juiste voorstelling van zaken niet zou hebben gesloten.
Onderdeel 6voegt daaraan m.i. evenzeer terecht toe dat, zo het hof zou hebben geoordeeld dat in casu niet was voldaan aan het vereiste dat de dwaling de ‘’zelfstandigheid van de zaak’’ moet betreffen (d.w.z., voor zover na het voorgaande nog van belang, het vereiste van causaal verband tussen de onjuiste voorstelling en de koop en het kenbaarheidsvereiste), dat oordeel in het licht van de vastgestelde feiten onvoldoende is gemotiveerd. Al deze aspecten zullen na verwijzing opnieuw aan de orde moeten komen, evenals trouwens de vraag, die de rechtbank bevestigend heeft beantwoord maar het hof in het midden heeft gelaten, of in Van Geest's stellingen wel een beroep op dwaling kan worden gelezen.
voorwaardelijk ingestelde incidentele beroepaan de orde. Zou Uw Raad dan toch nog voor de taak gesteld worden om, nu de dagen van de verborgen gebreken-regeling definitief zijn geteld, te beslissen of zij het beroep op dwaling al dan niet uitsluit? Nog onlangs heeft A-G Strikwerda (voor HR 12 mei 1989, NJ 1990, 235 m.o. C.J.H.B.) betoogd dat deze samenloop moet worden aanvaard, en ik sluit mij bij zijn conclusie aan. Aan de door hem genoemde voorstanders van dit standpunt kunnen nog Vranken, a.w. blz. 62 en Van Rossum, in Het Nieuw BW in perspectief (1990) blz. 275 v. worden toegevoegd. In Frankrijk heeft de Cour de Cassation bij arresten van 18 mei en 28 juni 1988, D. 1989, 450 m.o. Lapoyade Deschamps dezelfde stap gezet en aldus nog verder teruggedrongen