Conclusie
onderdelen 1 en 2betogen dat het hof heeft miskend dat voor de beperking van het verhaalsrecht aangebracht in de arresten HR 2 februari 1973, NJ 1973, 225 en HR 26 juli 1987, NJ 1988, 536 slechts plaats is indien tussen de ambtenaar en de schadetoebrenger een huwelijk bestaat, zodat een "formeel" criterium (huwelijk) en niet een "materieel" criterium (gemeenschappelijke huishouding) beslissend is. Voor de door het middel verdedigde lezing van bedoelde arresten zijn met name in het arrest van 1987 duidelijke aanknopingspunten te vinden. In het slot van r.o. 3.2 van dit arrest wordt overwogen:
onderdelen 3 en 4verwijten het hof onjuist te hebben beslist door geen betekenis toe te kennen aan de omstandigheid dat de aansprakelijkheid van de schadetoebrenger ([verweerder]) is verzekerd. De - kennelijk subsidiair bedoelde - klacht stuit af op hetgeen hierboven onder 12 is opgemerkt: omdat een w.a.- verzekering aansprakelijkheid dekt, niet schept, wordt de samenhang in de driehoeksverhouding van art. 2 en Pro 3 VOA niet verbroken door de omstandigheid dat achter de schadetoebrenger een w.a.-verzekeraar staat. Zulks betekent overigens niet dat bij de beantwoording van de algemene rechtspolitieke vraag naar de beperking of afschaffing van verhaalsrechten de omstandigheid dat in de praktijk achter schadetoebrengers w.a.-verzekeraars staan irrelevant zou zijn. Maar in die reeds lang slepende discussie zal ik mij thans niet mengen.
conclusietot vernietiging van het bestreden arrest van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch met verwijzing van de zaak naar een ander gerechtshof ter verdere behandeling en beslissing.