Conclusie
’s-Gravenhage.
Door deze omstandigheden draagt het verzoek een internationaal karakter, zodat de vraag beslist moet worden of Uw Raad bevoegd is van het verzoek kennis te nemen en, zo ja, of Nederlands recht en meer bepaald de genoemde wet van 1 mei 1925 op het verzoek toepasselijk is.
J.P. Verheul/M.W.C. Feteris, Rechtsmacht, deel 2, (1986), p. 173. Het niet rechtstreeks toepasselijke art. 429c Rv. biedt steun aan deze opvatting: de rechter van de woonplaats van de verzoeker is bevoegd (lid 1), tenzij het verzoek onvoldoende aanknoping met de rechtssfeer van Nederland heeft (lid 2). De uitzondering van het tweede lid – de
forum non conveniens-restrictie – is niet aan de orde: doordat het beding in Nederland moet worden nageleefd en betrekking heeft op een kunstverzameling die blijvend in Nederland moet worden bewaard en geëxposeerd, heeft het verzoek voldoende aanknoping met de rechtssfeer van Nederland.
p. 149/150; J.G. Sauveplane, Elementair IPR, 9e dr. (1989), p. 49/50. Relativering van de nationaliteitsaanknoping ten gunste van aanknoping aan de laatste woonplaats van de erflater (vgl. Joppe, a.w., p. 34-40) zou in het onderhavige geval niet tot een andere oplossing leiden: der erflater had zijn laatste woonplaats in Monaco. Het Monagaskische recht is derhalve in beginsel toepasselijk.
conclusiestrekt tot inwilliging van het verzoek in voege als hierboven onder 13 is aangegeven.