Uitspraak
16 maart 1990.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
De Gemeente ’s-Gravenhage verzocht op grond van de Museumwet om herziening van een beding verbonden aan een legaat van Dr. A. Bredius, overleden in 1946, waarbij een collectie schilderijen en kunstvoorwerpen exclusief in het Brediusmuseum aan de Prinsegracht te ’s-Gravenhage moest worden geëxposeerd.
De collectie werd tot 1985 in het Brediusmuseum geëxposeerd, maar dit museum werd toen gesloten wegens gebrek aan belangstelling. De Gemeente stelde voor de collectie blijvend te exposeren in een ander pand aan de Lange Vijverberg 14 te ’s-Gravenhage, of een gelijkwaardig pand.
Hoewel het erfrecht van Monaco van toepassing is op de nalatenschap, oordeelde de Hoge Raad dat de Nederlandse Museumwet op het beding van toepassing is vanwege het Nederlandse openbaar belang bij de expositie van de collectie.
De Hoge Raad besloot het beding te herzien zodat de collectie in het pand Lange Vijverberg 14 kan worden geëxposeerd onder de naam Museum Bredius, en wees het verzoek voor verdere wijzigingen af.
Uitkomst: De Hoge Raad herzag het beding zodat de kunstcollectie blijvend in het pand Lange Vijverberg 14 te ’s-Gravenhage wordt geëxposeerd.