Conclusie
Korte beschrijving van de zaak.
Premie-artikelen.
Ad artikel 5, lid 3, sub a) (2e volzin) Onttrekkingen van goederen, bestemd om te dienen als geschenken van geringe waarde (...), dienen echter niet als belastbare leveringen te worden beschouwd. (...) 13.
Ad artikel 8, sub a) (1e al.) Onder ‘’tegenwaarde'' dient te worden verstaan al hetgeen als tegenprestatie wordt ontvangen voor de levering van het goed of de dienst (...), dat wil zeggen niet alleen de ontvangen bedragen, doch bijvoorbeeld ook de waarde van de in ruil ontvangen goederen (...)''
Artikel 1. Onder de naam ‘’omzetbelasting'' wordt een belasting geheven ter zake van: a. leveringen van goederen en diensten, welke (...) door ondernemers (...) worden verricht (...)
Artikel 3. 1. Leveringen van goederen zijn: a. de eigendomsoverdracht van goederen ingevolge een overeenkomst (...)
Artikel 4. 1. Diensten zijn alle prestaties, niet zijnde leveringen van goederen, welke tegen vergoeding worden verricht. (...)
Artikel 8. 1. De belasting wordt berekend over de vergoeding. 2. De vergoeding is het totale bedrag dat - of voor zover de tegenprestatie niet in een geldsom bestaat, de totale waarde van de tegenprestatie welke - ter zake van de levering of de dienst in rekening wordt gebracht (...) Ingeval ter zake van de levering of de dienst meer wordt voldaan dan hetgeen in rekening is gebracht, komt in plaats daarvan in aanmerking hetgeen is voldaan. (...)''
9324, nr. 3, hield in:
Maatstaf van heffing. (...) Het ontwerp maakt, in afwijking van de thans geldende regeling voor levering van goederen, geen onderscheid tussen al dan niet onder normale omstandigheden gesloten overeenkomsten. (...) de maatstaf van heffing (is) voor leveringen en diensten gelijk. (...) (blz. 32, linkerkolom, 6e al.) (...) Evenals thans reeds geldt voor diensten, draagt de vergoeding in het ontwerp ook voor leveringen derhalve een meer subjectief karakter. Dit blijkt met name uit het vervallen van de regel dat alleen dan het in rekening gebrachte bedrag als maatstaf van heffing kan worden beschouwd, indien de levering onder normale omstandigheden plaatsvindt. In verband met het inhaaleffect heeft een dergelijke regel onder een belasting over de toegevoegde waarde geringe betekenis bij prestaties tussen ondernemers. Wel zou het nog belang hebben de zgn. normale prijs te handhaven in gevallen waarin de prestatie wordt verricht aan niet aan de belasting onderworpen personen, bijv. particulieren. In het ontwerp is evenwel, in overeenstemming met de tweede richtlijn, ook in die gevallen de werkelijk in rekening gebrachte c.q. ontvangen prijs als maatstaf van heffing aangemerkt. (7e al.) Hierbij dient te worden bedacht, dat bijv. leveringen welke om andere dan zakelijke overwegingen gratis of tegen een lage vergoeding worden verricht, in wezen vanuit de privésfeer van de ondernemer worden verricht. In dat geval vindt dan ook belastingheffing plaats wegens het beschikken over goederen voor andere dan bedrijfsdoeleinden (...)''
Artikel 8,
Lid 1, hield in:
Art. 2. Aan de belasting over de toegevoegde waarde zijn onderworpen: 1. de leveringen van goederen en diensten, welke (...) door een (...) belastingplichtige onder bezwarende titel worden verricht (...)
Art. 5. (...) 6. Met een levering onder bezwarende titel wordt gelijkgesteld het door een belastingplichtige aan zijn bedrijf onttrekken van een goed voor eigen privédoeleinden (...), of dat hij om niet verstrekt (...) Onttrekkingen van goederen om voor bedrijfsdoeleinden te dienen als geschenken van geringe waarde (...) worden niet als zodanig beschouwd. (...)
Art. 11.
A. (...) 1. (1e al.) De maatstaf van heffing is:
a. voor andere goederenleveringen en diensten dan hierna bedoeld sub b (...): alles wat de leverancier of dienstverrichter voor deze handelingen als tegenprestatie verkrijgt of moet verkrijgen van de zijde van de koper (of) van de ontvanger (...);
b. voor de in artikel 5, (lid) 6 (...), bedoelde handelingen: de aankoopprijs van de goederen (...)''
Ad artikel 12(...) A. (...) (2e al.) (...) het (leek) dienstig de toepassing van het criterium ‘’normale waarde'', (...) hetwelk uitgaat van een ‘’bij vrije mededinging’’ - een vaak moeilijk te beoordelen situatie - verrichte handeling, tot werkelijke uitzonderingsgevallen te beperken. (3e al.) Daarom is het thans sub a aangehouden begrip, dat ziet op de ‘’normale’’ gevallen van leveringen van goederen en diensten, gebaseerd op de werkelijke ‘’tegenwaarde'', een concreet criterium dat reeds in de tweede richtlijn werd gebezigd. In de maatstaf van heffing moeten derhalve niet alleen worden begrepen het totaal van de verkregen of te verkrijgen bedragen, maar ook de waarde van de in ruil verkregen of te verkrijgen goederen of diensten (...) (4e al.) In geval van een ruiltransactie of een daarmee vergelijkbare transactie geldt de waarde van elke handeling als tegenwaarde van de andere handeling. (blz. 7, 2e al.) In de nieuwe tekst van lid 1, sub b, (...) komen dezelfde criteria voor als die welke reeds in de tweede richtlijn werden aangehouden (...) Zowel om praktische als om psychologische redenen lijkt het namelijk aanbevelenswaardig niet de normale waarde, maar de inkoopprijs of kostprijs als maatstaf van heffing in aanmerking te nemen.''
alles wat [5] de leverancier of dienstverrichter voor deze handelingen (goederenleveringen of dienstverrichtingen) als tegenprestatie verkrijgt of moet verkrijgen’’ (...) Door de uitdrukking niet nader te specificeren, heeft de richtlijn haar natuurlijk een zo ruim mogelijke betekenis willen toekennen. Dat is trouwens ook in overeenstemming met de doelstellingen van het BTW-stelsel: een algemeen stelsel van verbruiksbelasting, dat neutraal is met betrekking tot de structuur van de transacties, waardoor wordt gewaarborgd dat zoveel mogelijk transacties in alle fasen van produktie en distributie erdoor worden bestreken (...) 19. Zo een bepaalde vorm van betaling - zoals bijvoorbeeld in ruil voor het geleverde goed verrichte diensten - van de tegenprestatie moest worden uitgesloten, zou de deur worden opengezet voor een legale wijze van belastingontwijking, waardoor de doelstellingen van de Zesde richtlijn zouden worden gefrustreerd. Een deel van de grondslag zou dan aan de belastingheffing kunnen ontsnappen, wat eventueel zou kunnen leiden tot distorsies in de fiscale behandeling van situaties die economisch of commercieel in wezen identiek zijn. 20. Dienstverrichtingen vallen dus niet reeds a priori buiten het begrip tegenprestatie, omdat het anders niet moeilijk zou zijn om aan de belastingheffing te ontsnappen. (...)''
Door controle gewekt vertrouwen.
3. Opgewekt vertrouwenVan (...) (gerechtvaardigd) vertrouwen is in ieder geval sprake indien de inspecteur uitdrukkelijk heeft aangegeven zich met een bepaalde handelwijze van de inhoudingsplichtige te kunnen verenigen. Van een dergelijk vertrouwen kan echter (...) eveneens sprake zijn in de situatie, waarin de belastingdienst naar aanleiding van een eerder ingesteld onderzoek op de hoogte was van het feit dat bepaalde loonbestanddelen werden verstrekt en van het feit dat deze onbelast werden verstrekt. Deze situatie kan zich met name voordoen met betrekking tot aangelegenheden, die (blz. 62, tot en met regel 25) bij een vorige controle op hun fiscale merites zijn beoordeeld, doch die de inspecteur geen aanleiding hebben gegeven tot het opleggen van een naheffingsaanslag, dan wel tot het maken van opmerkingen. Voor wat het verleden betreft mag de inhoudingsplichtige er in het algemeen van uitgaan dat een bepaalde aangelegenheid is beoordeeld indien: a. de eerder ingestelde controle een normale periodieke controle is geweest (en dus niet een incidentele partiële); en b. het andere dan individueel toegekende kostenvergoedingen en/of beloningen betreft en het verstrekken van de desbetreffende kostenvergoedingen en/of beloningen in natura in de bedrijfstak gebruikelijk is. Voor wat de toekomst betreft wordt thans de mogelijkheid onderzocht een procedure te ontwikkelen, op grond waarvan na afloop van een controle ten behoeve van de inhoudingsplichtige schriftelijk wordt vastgelegd welke onderdelen van de administratie zijn bezien en tot welke bevindingen de controlerend ambtenaar daarbij is gekomen.
4. Geen beroep op opgewekt vertrouwenNaar mijn oordeel kan de inhoudingsplichtige geen beroep doen op bij hem gewekt vertrouwen indien het fiscale belang ten tijde van de vorige controle dermate gering was dat om doelmatigheidsredenen aan de kwestie geen verdere aandacht is besteed. Uiteraard kan evenmin een beroep op opgewekt vertrouwen worden gedaan indien sedert de vorige controle relevante jurisprudentie is verschenen, dan wel de inhoudingsplichtige anderszins op de hoogte moet zijn geweest van de onjuistheid van zijn handelwijze.''
BNB1985/12 gepubliceerde resolutie (...), is van een (blz. 403) bij een belastingplichtige gewekt vertrouwen in het algemeen sprake in gevallen waarin de belastingdienst naar aanleiding van een eerder ingestelde normale periodieke controle op de hoogte was van aangelegenheden die de inspecteur toen geen aanleiding hebben gegeven tot het opleggen van een naheffingsaanslag dan wel tot het maken van aanmerkingen. 3. Vaststaat dat bij een in 1978 gehouden normale periodieke controle bij belanghebbende door de controlerende ambtenaar berekeningen zijn gemaakt inzake door haar verschuldigde omzetbelasting, in welke berekeningen ten aanzien van een groot gedeelte van de omzet als het van toepassing zijnde percentage van heffing 3,85 is gehanteerd. 4. Gelet op het onder (...) 2 overwogene heeft het feit, onder 3 omschreven, tot gevolg dat, tenzij dit op grond van bijzondere omstandigheden anders zou zijn, (...) bij belanghebbende het in rechte te beschermen vertrouwen is opgewekt dat ter zake van de omzet spreekuur met voldoening van de naar het tarief van 3,85% berekende omzetbelasting kan worden volstaan. (...) 5. Hetgeen de Inspecteur (...) aanvoert levert niet een bijzondere omstandigheid op als onder 4 bedoeld. Anders dan de Inspecteur klaarblijkelijk bedoelt te stellen bestaat voor het bij de controle in 1978 van toepassing van 3,85 als heffingspercentage op een zo groot deel van de omzet - (...) gemiddeld bijna 85% van de omzet - geen redelijke verklaring. (...)''
Dubbele betaling.
Conclusie.