Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
3.Het geding in cassatie
Principale beroep (Staatssecretaris)
- 103.429, 07
- 124.471,21
- 33.197
- 41.803.00
4.Buitengewone uitgaven: hulpmiddel
Wet- en regelgeving
BNB1977/187 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat onder hulpmiddel ook kan worden verstaan een traplift: [18]
BNB1979/144 heeft de Hoge Raad beslist dat uitgaven gemaakt ter zake van het – op medische gronden – verhuizen naar en opknappen en inrichten van een woning, niet rechtstreeks verband hielden met de ziekte: [19]
BNB1986/132 heeft in verband met zijn invaliditeit de keuken laten aanpassen. De uitgaven te dier zake werden niet in aftrek toegestaan: [20]
BNB1995/213 werden uitgaven niet in aftrek toegestaan omdat de voorzieningen als een bestanddeel van de woning moesten worden aangemerkt: [22]
BNB1997/240 heeft in verband met haar handicap, op advies van de revalidatiearts en de ergotherapeut, onder meer een keramische kookplaat en een daarvoor geschikt pannenset aangeschaft. Naar het oordeel van de Hoge Raad zijn dit geen kwalificerende hulpmiddelen: [23]
BNB1998/206 af: [24]
BNB2015/209 aangevuld en beoordeeld of een mantelzorgwoning als hulpmiddel in de zin van artikel 6.17 Wet IB 2001 kan worden aangemerkt: [27]
5.Vertrouwensbeginsel
BNB1992/182 betrof een geval waarin de inspecteur de aanslag conform aangifte had opgelegd, nadat hij de boeken had gecontroleerd. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagde: [30]
BNB2010/20 blijkt dat naar het oordeel van de Hoge Raad onvoldoende is dat een belanghebbende bij zijn aangifte de van belang zijnde aangelegenheid uitdrukkelijk en gemotiveerd aan de orde heeft gesteld. Vereist is dat hij redelijkerwijs mocht aannemen dat de inspecteur kennis heeft genomen van alle vereiste bijzonderheden van het geval: [31]
6.Proceskostenvergoeding
Wet- en regelgeving
BNB1996/373 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de toepassing van dit lid, in dit geval ten nadele van de belanghebbende, moet te worden te gemotiveerd: [35]
BNB2011/101: [37]
BNB2011/232 betrof een zaak waarin het gerechtshof had geoordeeld dat artikel 6 Europees Pro Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) toepassing miste. De Hoge Raad oordeelde dat wat daar ook van zij, evenwel aan het daarin vervatte rechtszekerheidsbeginsel kon worden getoetst: [60]
7.Beoordeling van de beroepen
Het principale beroep (Staatssecretaris)
BNB1991/36 en HR
BNB1995/213 niet een hulpmiddel wanneer het een bestanddeel van een huis wordt. [80] De Inspecteur noch de Staatssecretaris heeft zich op dit standpunt gesteld. Klaarblijkelijk is de grond hiervoor dat de Staatssecretaris zich in het onder 4.5 genoemde besluit op het standpunt heeft gesteld dat niet meer aan artikel 6.17, lid 2, Wet IB 2001 voldaan hoefde te worden indien werd voldaan aan de eisen van artikel 20a Uitv.besl. 2001.
BNB1996/373 geoordeeld dat de rechter het oordeel dat sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van het Besluit en derhalve wordt afgeweken van het forfait, moet worden gemotiveerd. [85] Het oordeel dat niet sprake is van bijzondere omstandigheden, hoeft daarentegen niet te worden gemotiveerd, volgt onder meer uit HR
BNB2011/101: “Op een verzoek om toekenning van een hogere vergoeding van proceskosten wegens bijzondere omstandigheden behoeft een Hof niet uitdrukkelijk in te gaan indien het (…) niet aan dat verzoek tegemoetkomt”. [86]
BNB2011/232-234, [92] een beroep op artikel 6 EVRM Pro ook in dit geval mogelijk moet zijn. De Hoge Raad overwoog in die arresten: “de rechtszekerheid als algemeen aanvaard rechtsbeginsel dat aan artikel 6 van Pro het EVRM mede ten grondslag ligt, geldt evenzeer binnen de nationale rechtsorde en evenzeer los van die verdragsbepaling.”
BNB2007/260 is er grond voor toekenning van integrale proceskostenvergoeding “indien het bestuursorgaan het verwijt treft dat het een beschikking of uitspraak geeft respectievelijk doet of in rechte handhaaft, terwijl op dat moment duidelijk is dat die beschikking of uitspraak in een (de) daartegen ingestelde procedure geen stand zal houden”. [102]