ECLI:NL:PHR:1991:34
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Ondernemerschap commanditair vennoot in besloten commanditaire vennootschap voor inkomstenbelasting
Belanghebbende was commanditair vennoot in een besloten commanditaire vennootschap (CV) die een onderneming dreef in olie- en gasexploratie. Hij had een relatief en absoluut gering aandeel in het commanditaire kapitaal en was gerechtigd tot een aandeel in het liquidatiesaldo van de CV.
De Inspecteur weigerde de door belanghebbende geclaimde verliesaftrek omdat hij meende dat de CV een open commanditaire vennootschap was en dat belanghebbende geen ondernemer was. Het hof oordeelde echter dat de CV een besloten vennootschap was en dat belanghebbende als ondernemer moest worden aangemerkt, ongeacht de geringe omvang van zijn participatie.
De staatssecretaris stelde cassatieberoep in tegen dit oordeel, stellende dat het ondernemerschap ontzegd moest worden bij geringe absolute en relatieve participatie. De Hoge Raad verwierp deze middelen en bevestigde dat de omvang van de participatie niet doorslaggevend is voor het ondernemerschap van een commanditair vennoot.
De Hoge Raad benadrukte dat het ondernemerschap volgt uit de gerechtigdheid tot het ondernemingsvermogen en dat beperkingen door de staatssecretaris niet op de wet zijn gebaseerd. Ook werd gewezen op het belang van rechtszekerheid en het vertrouwen van belastingplichtigen in bestaande jurisprudentie.
Het beroep van de staatssecretaris werd verworpen, waarmee het ondernemerschap van belanghebbende werd bevestigd en de verliesaftrek toegestaan.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat belanghebbende als commanditair vennoot met een gering aandeel als ondernemer wordt aangemerkt en recht heeft op verliesaftrek.