Conclusie
Huur Bedrijfsruimte
Parket, 21 mei 1991
onweersprokengesteld is, dat de aan de verbetering van het perceel verbonden kosten tussen [betrokkene 1] – de onderhuurder van het restaurant – en de huurster [verweerster] verrekend zijn. Op grond daarvan was de rechtbank van oordeel:
prod. 1) De kosten van de verbeteringen zijn tussen partijen ( [betrokkene 1] en [verweerster] ) verrekend.
omdatdie verbeteringen uiteindelijk ten laste van [verweerster] zouden zijn gekomen. Men kan zich nu nog afvragen, zoals [verzoeker] in de cassatie-schriftuur ook doet, of de kosten van de verbeteringen ook niet in de huurprijs zouden moeten worden verdisconteerd als zij niet ten laste van de huurder maar van een ander, in casu de onderhuurder zijn gekomen. De voorlaatste volzin van artikel 1626 lid Pro 3 B.W. en de laatste volzin van lid 2 van art. 1632 a B.W. luiden : De rechter zal een verzoek om verhoging van de huurprijs evenwel afwijzen voor zover het is gegrond op verbeteringen van het gehuurde, die door de huurder zijn aangebracht. Uit H.R. 24 december 1976 NJ 1977, 264 volgt echter dat de strekking van deze bepaling is, dat voor verhoging van de huurprijs geen plaats is voor zover het pand zijn huidige waarde heeft verkregen door verbeteringen die de huurder op zijn kosten heeft aangebracht.
ofde gestelde verbouwingen zijn aangebracht en zoals de rechtbank zelf onder 5.2. tweede (en derde) alinea aangeeft betrof de bestrijding het feit of de verbouwingen verbeteringen betroffen in de zin
datalle voor rekening van [verweerster] komende werkzaamheden aan het gehuurde tot zodanige verbetering van het gehuurde hebben geleid bij de vaststelling van de huurprijs rekening moet worden gehouden.