Conclusie
Nr. 90.172
zitting 14 september 1992
Parket bij de Hoge Raad
In deze zaak heeft de officier van justitie bij de rechtbank te 's-Hertogenbosch cassatie ingesteld tegen een vonnis waarbij verdachte werd ontslagen van alle rechtsvervolging wegens overtreding van art. 52 van Pro de Algemene Politieverordening (APV) 1969 van 's-Hertogenbosch. De rechtbank had geoordeeld dat deze bepaling strijdig was met het recht op vrije meningsuiting zoals gewaarborgd in artikel 7 lid 3 van Pro de Grondwet, en daarom onverbindend.
Het bewezenverklaarde feit betrof het publiekelijk uiten van aanstootgevende taal gericht aan een parkeercontroleur, wat volgens de APV strafbaar was gesteld. De Hoge Raad bevestigt dat beperkingen op de inhoud van meningsuitingen alleen bij formele wet kunnen worden aangebracht en dat gemeentelijke verordeningen dit niet mogen doen. De APV-bepaling die het lastig vallen door middel van bepaalde meningsuitingen strafbaar stelt, gaat verder dan toegestane beperkingen en is daarom in strijd met de Grondwet.
Hoewel de APV meerdere verboden bevat, leidt het onverbindend verklaren van het onderdeel dat meningsuiting strafbaar stelt niet tot het vervallen van de gehele bepaling. De Hoge Raad wijst ook op het onderscheid met eerdere jurisprudentie over verspreidingsmiddelen, waar beperkingen anders worden beoordeeld. De conclusie is dat het bewezenverklaarde feit niet strafbaar is en dat de verdachte terecht is ontslagen van rechtsvervolging.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de gemeentelijke bepaling die het lastig vallen door middel van meningsuiting strafbaar stelt onverbindend is en verklaart verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging.