ECLI:NL:PHR:1992:41
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vaststelling voortgezette dienstbetrekking en opzegging arbeidsovereenkomst
Eiseres was sinds 1 oktober 1978 seizoenmedewerkster bij Thialf, aanvankelijk op tijdelijke contracten en vanaf 1 oktober 1986 in vaste dienst. Na het verlenen van voorlopige surseance van betaling aan Thialf in mei 1987, werd haar arbeidsovereenkomst opgezegd per 1 oktober 1987. Desondanks verrichtte zij tot 1 april 1988 dezelfde werkzaamheden zonder toestemming van de directeur GAB.
Eiseres vorderde loonbetaling tot de ontbinding van de arbeidsovereenkomst op 27 september 1988, stellende dat de beëindiging per 1 april 1988 onrechtmatig was wegens het ontbreken van een juiste opzegging. De rechtbank en kantonrechter wezen haar vordering af, stellende dat er geen sprake was van voortzetting van de dienstbetrekking volgens art. 7A:1639f BW, omdat geen stilzwijgende verlenging zonder tegenspraak was overeengekomen.
De Hoge Raad oordeelt dat de rechtbank het vereiste van stilzwijgende verlenging zonder tegenspraak verkeerd heeft geïnterpreteerd en dat het opzegvereiste van lid 3 van art. 1639f BW geldt ongeacht of de voortzetting met of zonder tegenspraak is. De zaak wordt vernietigd en terugverwezen voor verdere behandeling. Hiermee wordt de bescherming van de werknemer bij voortgezette dienstbetrekkingen benadrukt.
Uitkomst: Het bestreden vonnis wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor verdere behandeling wegens onjuiste toepassing van art. 7A:1639f BW.